In een eerdere column schreef ik al eens over mijn afkeer van duiven. Ik probeer altijd te voorkomen dat ze een nest op mijn balkon bouwen. En dat lukt al lange tijd heel aardig, omdat ik een tijd lang constant de duiven verjaagd heb die op mijn kleine balkon aan de voorkant van mijn appartement gingen zitten. Het afgelopen jaar heb ik ze er niet meer gezien. Ze hebben hun lesje geleerd, dacht ik. Daarom was ik ‘not amused’ toen aan het begin van een zomeravond plotseling een duif landde op mijn andere balkon. Dat tweede balkon is groot en kijkt uit op een hof.  

Zoals dat gebruikelijk is met duiven, had deze gebeurtenis meer weg van een noodlanding dan van een landing. Subtiliteit is niet aan duiven besteed. Laat ze los in de buurt van een porseleinkast en ze zullen meer verwoesten dan de spreekwoordelijke olifant. Ik zat binnen naar Inside van Bo Burnham op Netflix te kijken, toen de duif op lompe wijze zijn komst op mijn balkon aankondigde, door er op neer te storten. Hij greep zich nog net met zijn klauwen vast aan de reling. Anders was hij op het beton neergekomen. Het geluid van zijn krabbelende klauwen is wat mijn aandacht trok.

Om de duif weg te jagen, opende ik de deur naar het balkon en klapte ik in mijn handen. De duif gaf geen krimp en loerde naar me als een dronken bokser die wachtte op het juiste moment om uit te halen. Enigszins van mijn stuk gebracht probeerde ik andere vormen van lawaai. Ik sloeg op het tafeltje dat op het balkon stond. Geen krimp. Ik blies als een kat. Geen krimp. Ik trommelde op mijn borst terwijl ik brulde als een opgefokte gorilla. Niets. De duif bleef me aankijken alsof ik een stukje vlees was dat tussen iemand zijn tanden was blijven zitten. Iets om met een welgemikte pik te verwijderen. Hij bewoog zijn nek heen en weer als een cobra met constipatie en bleef me met zijn dinosaurusoogjes in de gaten houden.

Toen viel me iets op: de duif had ringen om zijn poten. Dat betekende dat hij van iemand was. Het was een bezeten duif. Vandaar dat hij niet bang was voor mensen. Kut, dacht ik, dat heb ik weer. Wat nu? Gelukkig kun je, zoals Bo Burnham zingt in zijn polka Welcome to the internet, alle antwoorden op internet vinden. Dus ging ik naar binnen om op te zoeken wat je aan zo’n geringde duif kan doen. Ik las dat het waarschijnlijk ging om een jonge wedstrijdduif. Die schijnen vaker te verdwalen. Heel fijn. Bedankt duivenmelker! Of hoe je zo’n duivenaficionado ook noemt. Maar hoe kwam ik van die duif af?

Er kwam een duistere gedachte in me op: Had ik maar een geweer met hagelpatronen, dan zou het zo bekeken zijn met de duif. Ik zag weer voor me hoe ik als kind de keuken van een vriendje binnen kwam, terwijl diens vader, een vrijetijdsjager, een aantal geschoten duiven aan het villen was. Er hingen al enkele duivenbiefstukjes (want zo rood is hun vlees) aan een draadje uit te lekken. Best lekker, zo’n stukje wild, maar je moest tijdens het eten wel af en toe een stukje achtergebleven hagel uitspugen. Dat lag dan te glimmen op de rand van je bord als een metalen d(r)uivenpit.

Ik schrok op uit mijn overpeinzingen vanwege een knal tegen mijn raam. De duif was er als een zelfmoordterrorist tegenaan gevlogen. Ik keek eerst of er geen barst in mijn ruit zat en toen of de duif gewond was. Want, al mijn duistere gedachten ten spijt, dat gunde ik hem nou ook weer niet. Al is het maar uit eerbied voor zijn voorouders die tijdens de Eerste Wereldoorlog met gevaar voor eigen leven post bezorgden in de loopgraven. Hij leefde nog en zat weer op de reling van mijn balkon. Naar ik aanneem met koppijn. Om herhaling te voorkomen heb ik de gordijnen achter mijn raam dichtgedaan, zodat hij beter kon zien dat je daar niet doorheen kunt vliegen. Een duif is namelijk geen ezel en stoot zich makkelijk oneindig vaak aan dezelfde steen.

Daarna besloot ik af te wachten, in de hoop dat de duif vanzelf weg zou vliegen. Als hij er de volgende dag nog zou zijn, zou ik de dierenambulance bellen. Alleen zou ik het vangen van de duif dan wel aan de experts overlaten. Geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om een duif op te pakken. Stel je voor dat ik hem aardig ga vinden. Of hij mij. Dat moet ik niet hebben. Gelukkig was daar geen aanleiding voor, want voordat de duisternis was ingevallen, was de duif gevlogen.

Categorieën: Tim Wachelder

4 reacties

gerard Schlief · 16 augustus 2021 op 08:51

discriminatie duiven hebben ook recht op een balkon

    admin · 17 augustus 2021 op 08:58

    Alleen niet dat van mij;-)
    Ik vind de kauwen in mijn dakgoot leuker.

René van Steen · 17 augustus 2021 op 10:31

Mooi stuk Tim.

    admin · 20 augustus 2021 op 11:17

    Bedankt René.

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.