In mei leggen alle vogels een ei. De afgelopen maand zag ik daarom veel voorbereidingen. Zo vloog er een duif langs met een tak die zo groot was dat hij deze nauwelijks kon tillen. Hij bewoog zich voort als een vliegtuig in zwaar weer. Van de ene luchtzak naar de andere. Waarschijnlijk landde hij niet op zijn nest, maar stortte hij erop neer. Dat heeft hij ongetwijfeld overleefd. Duiven zijn weerbarstiger dan kakkerlakken tijdens een nucleaire ramp. Gelukkig heb ik weten te voorkomen dat ze ook een nest bouwen op mijn balkon aan de straatkant. Ik heb de ruimte die duiven graag zouden koloniseren geblokkeerd met dozen, glas dat naar de glasbak moet en oud papier.

Wel bevindt zich in de dakgoot boven mijn tweede (en grotere) balkon, dat op een hofje uitkijkt, een kraaiennest, of om precies te zijn: een kauwennest. De kauw, zo lees ik op Wikipedia, is slechts een van de vele soorten kraaien, ofwel kraaiachtigen, die er zijn. De zwarte kraai, ekster, roek en Vlaamse gaai zijn ook kraaien. En dan is er natuurlijk nog de grootste aller kraaien: de raaf. Ik heb geen problemen met het kraaiennest in mijn dakgoot, want kraaien zijn mythische vogels.

Eigenlijk hebben alle vogels wel iets mythisch. Zij stammen namelijk af van dinosaurussen! Stel je een Tyrannosaurus rex voor, de koning onder de dinosaurussen. Focus eerst op diens kop, met tanden als messen. Bekijk dan zijn al dan niet geschubde of gevederde bovenlichaam (daar is de wetenschap het nog niet over eens), glij met je ogen langs een gespierde poot naar beneden en eindig op een enorme klauw die bestaat uit drie grote tenen met vlijmscherpe nagels eraan. Een miniatuurversie van die klauw omklemt dus met enige regelmaat de rand van mijn dakgoot en behoort toe aan mijn bovenbuurman of -vrouw: de kauw. De kauw gebruikt zijn of haar klauwen soms om het kraaiennest uit te mesten. Dan schuren die kauwenklauwen tegen het metaal van de dakgoot. Lekker! Beter dan het geluid van nagels op een schoolbord.

Af en toe krijg ik ook bezoek op mijn balkon van de kraaiachtige die in klassiek zwart en wit gekleed gaat, aangevuld met enkele kleurige accenten op zijn vleugels en staart. Als een Engelse butler, maar dan met een staalblauwe glans over zijn jaspanden. De ekster die mij bezoekt is allesbehalve verlegen. Terwijl hij zich aan de reling vastklemt, draait hij zich rustig om en richt zijn eksterogen op mij. Alsof hij wil zeggen: “Wij begrijpen elkaar. Leven en laten leven. Je weet toch.” Het zijn mooie vogels, eksters, maar ze hebben een wat onheilspellende reputatie. Zo zou een oneven aantal ongeluk brengen en een even aantal geluk. Verder zou een ekster je lot kunnen voorspellen. Dat zegt natuurlijk niets, want ome Lot en tante Fortuna kunnen zowel geluk als ongeluk in het verschiet hebben.

In een Engelse folksong: “Magpie”, wordt het bijgeloof over eksters bezongen. Zo zou het aantal eksters dat je ziet het geslacht van een toekomstig kind voorspellen: drie voor een meisje en vier voor een jongen. Als ik een kind zou krijgen, zou ik het misschien wel Eksteroog noemen, naar die ekster die mij vanaf het balkon zo wijs aankeek. Een goede indianennaam. Het is alleen jammer dat we bij die naam aan een likdoorn denken. Waarschijnlijk kan de ekster zijn kinderen beter vernoemen naar mij. Grootoog, Haar op de kin, Kijkt in de Verte of Sproet.

Ondertussen zit er met al die mensen binnenshuis een kleine geboortegolf aan te komen. Vogels leggen een ei, mensen kruipen dichter bij elkaar. Hoeveel coronababy’s zullen er over zeven of acht maanden geboren worden? De ekster weet het, maar zwijgt.


0 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.