Terwijl ik dit schrijf ligt op zondag (12 september 2021) een enorm woonprotest in het verschiet. In Amsterdam zullen duizenden mensen samenkomen om alarm te slaan over de zieke woningmarkt. Terecht, want een huis lijkt tegenwoordig alleen voorbestemd voor mensen met hoge inkomens en vaste banen, iets wat niet voor iedereen is weggelegd. Terwijl een dak boven je hoofd toch echt een mensenrecht is. Van bizar dure studentenkamers tot onbetaalbare huurappartementen en van een gierend tekort aan sociale huurwoningen tot exorbitante woningprijzen en een recordaantal daklozen op straat: het werd eens tijd.

Ik ga niet naar het protest. Niet omdat ik er niet achter sta, integendeel, maar mijn moeder viert haar verjaardag en ik heb na de afgelopen weken ook echt niet de mentale kracht meer om me in een mensenmassa te begeven. Zoals ik in mijn vorige column schreef, waren die weken zo zwaar omdat mijn vriend en ik bezig waren met de koop van een nieuw huis en de verkoop van zijn oude huis. En dat voelt in het licht van de woonprotesten dubbel. De verkoop van het huis is inmiddels z.g.a. rond en zoals dat gaat in deze huizenmarkt, komen wij er als verkopers goed mee weg. Ik voel me bijna hypocriet. Mijn solidariteit gaat immers uit naar de worstelende woningzoekers, de mensen in te krappe, te dure, te tijdelijke woonsituaties. En zelf zit ik in een koophuis met meerdere slaapkamers, een eigen kantoortje én een grote achtertuin. Maar goed, ik word tenminste niet rijk van het uitpersen van andere mensen.

Dat huis is natuurlijk niet van mij. Ik heb gewoon simpele mazzel dat ik verliefd werd op een man die al wat langer op deze aardkloot rondloopt en daarom iets meer kans had om jaren geleden een huis te kopen. Terwijl ik in te dure studentenkamers en studio’s zat, mijn woning deelde met huisgenoten en zocht naar een plekje voor mezelf, werd zijn koophuis steeds leger nu zijn kinderen volwassen worden. Bij hem intrekken was in de eerste jaren van onze relatie niet meteen het plan. Het liefst zou ik eerst nog een appartementje hebben voor mezelf. Twee kamers, een keukentje, een badkamertje, een balkon… ach, een mens kan dromen. Naarmate de jaren verstreken werd het toch wel steeds aantrekkelijker om dan toch maar bij Rob in te trekken. Niet alleen financieel maar ook emotioneel waren we er afgelopen jaar klaar voor om de stap te wagen.

En zo ging ik van een dure semi-studio met gedeelde voorzieningen naar een jaren-30-koopwoning waar ik een passend aandeel in het woongenot betaal en meegeniet van de tuin, diverse kamers en groene omgeving. Inmiddels is dat dus verkocht en is er ook al een nieuw huis gekocht in een andere stad. Een nieuw begin voor ons samen. Het zou geen privilege moeten zijn maar zo voelt het wel. Leeftijdsgenoten van mij, startend op de woningmarkt, maken geen schijn van kans op het soort huis dat wij kochten, laat staan vérkochten. Het is niet eerlijk en het is grotendeels veroorzaakt door politieke keuzes. Daarom steun ik het woonprotest.


0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.