Ik geef toe: ik houd van friet. Ongeveer twee – oké, minstens drie – keer per maand loop ik daarvoor naar de cafetaria om de hoek. Ondanks mijn liefde voor die goudgele, zoute snack (liefst speciaal, met een groentekroket) zie ik er vaak tegenop om in mijn eentje naar die cafetaria toe te gaan. Dat heeft niets te maken met gewetenswroeging of luiheid, maar simpelweg met het feit dat ik dan met de cafetaria-eigenaren moet praten. Het is voor zover ik weet een echtpaar: een erg dikke, witte man en een Aziatische vrouw. Is het niet het uiterlijk van de man dat me ervan weerhoudt hier vaker dan eens per week te komen, dan zijn het wel de ongemakkelijke gesprekken met hem of zijn vrouw.

Ik houd sowieso niet zo van het stilte-vermijdende koetjes-en-kalfjes-kletsen dat je ook bij de kapper vaak te verduren hebt. Gelukkig heb ik inmiddels een kapster gevonden die mijn naam en bezigheden onthoudt, zodat we over interessantere zaken kunnen kletsen. Als ik bij de cafetaria ben, heb ik echter honger en geen zin om te koken. Geloof me, dan zijn mijn sociale vaardigheden niet op hun best.

Van mijn gesprekspartners hoef ik ook niet veel te verwachten. Het Aziatische vrouwtje van de cafetaria probeerde eens een gesprek met me aan te knopen over mijn handtas. Zij had namelijk ook een handtas. Daar kon ik echt niet meer op antwoorden dan: “Ja, ze zijn wel handig, inderdaad.” Ze begon nog over de vakjes en ritsjes die erin zitten en dat je zo altijd je spullen bij je kunt hebben, maar ik kon het niet opbrengen hier lang over door te gaan. De dikke man zegt dingen als “Zo, het midden van het weekend zit er alweer bijna op”, op een zaterdagavond.

Het weer is ook altijd een favoriet gespreksonderwerp. Meestal beginnen ze daarover (ze wisselen af in het helpen van klanten en dus ook in het kletsen). “Met deze hitte drink ik heel veel water, en toch hoef ik maar twee keer op een dag naar de wc! Je zweet het gewoon allemaal uit”, aldus de vrouw. “Ja, inderdaad. Je moet goed drinken met deze hitte.” “Ach, wij Hollanders klagen toch altijd”, aldus de dikke man. En: “Jullie hebben mooi geluk. Je gaat naar je werk op kantoor en hebt lekker de airco aan, dan merk je er niet zo veel van.” Ik heb geen idee hoe hij op het idee komt dat ik op een kantoor met airco werk, of waarom hij mij ineens met ‘jullie’ aanspreekt. “Nou, ik niet hoor”, probeer ik nog. Maar hij praat maar door. In de cafetaria is het altijd warm. Alleen in de winter hebben ze daar profijt van. Ik lach wat en hoop dat de friet snel klaar is.

Dan vraagt hij wat ik voor werk doe, of dat ik nog studeer (hij schat me vast jonger in, dat gebeurt nogal eens). Ik antwoord dat ik zzp’er ben en meestal thuis werk. Vluchtig leg ik uit dat ik teksten schrijf en redigeer voor bedrijven; webteksten, blogs, dat soort dingen, en hij vraagt of ik daar een beetje van kan rondkomen. Ik moet me bedwingen om deze nieuwsgierige vraag niet terug te kaatsen, en te vragen of zijn zaak eigenlijk wel goed loopt. Het is zaterdagavond, half 6, en we staan al tien minuten wanhopig de stilte weg te kletsen. “Ja hoor, het gaat lekker.”

Na nog wat goedbedoelde opmerkingen over de economie die aantrekt – waar ik wel profijt van zal hebben – het via-via klanten werven, en dat je toch iets moet doen voor je geld, is ein-de-lijk mijn frietje speciaal en groentekroket klaar. De dikke man stopt het in plastic bakjes, dan in een papieren witte zak en reikt het me aan. “Zo. Het feestje kan beginnen.”


0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.