Gastcolumn door Carlijn Brouwer

Zomervreugde. Dat gekir en gejoel over de zon die al vanaf een uur of tien ’s morgens zonder mededogen staat te branden en temperaturen van dertig plus – en dat is dan nog ‘gemiddeld warm’ tegenwoordig. Ik heb het nooit begrepen, dat publieke hedonisme. Met z’n allen te dicht op elkaar, te hard brallend door te veel bier, te weinig kleding om het lijf en te weinig schaamte voor al bovengenoemde. En omdat ik de bakoven die mijn Arnhemse appartement heet vanaf pakweg juni, toch liever met mate betreed, leid ik in de zomermaanden een nomadenbestaan by force. Handdoek, portemonnee, zonnebrand, water (water!) in een lullig plastic tasje en de berg naar openluchtzwembad Klarenbeek beklimmen maar.

Eenmaal op de historische zonneweide aangekomen – sinds 1954 – komt de geur van chloor vermengd met zwetende lijven en goedkoop waterijs me tegemoet. Wanneer ik me van mijn plakkende overkleding heb ontdaan en in badpak op mijn kleine handdoek zit, valt het me pas op hoeveel zwembadgangers met tatoeages bedekt zijn. De man links van me draagt ook een enkelband, zo één van de gevangenis, dus die moet zijn bad boy-status natuurlijk benadrukken met een draak die zijn hele rug bedekt. Je kunt mij niet afschrikken, ik weet dat je maar een beperkte actieradius hebt om stoer te doen, vriend. Foute mannen, matrozen, rebellerende pubers, motorclubleden ­– die hadden zo’n tatoeage nodig om hun identiteit te versterken of uit te dragen. Ooit. Maar als ik zo om me heen kijk, zie ik dat die typecasting al lang niet meer opgaat. Iedereen lijkt ergens inkt te hebben laten injecteren. Grote gekleurde sleeves, sierlijke, maar o zo clichématige bloemen en citaten. Heel veel citaten en losse woorden. Met een beetje geluk juist gespeld.

Hoe mooi ik sommige lijfversieringen ook vind (want ondanks dat ik met opgetrokken wenkbrauwen daar aan het zwembad zit, is dat zo), heb ik zelf nooit de aandrang gehad een tatoeage te laten zetten. Bang voor naalden ben ik niet, maar ik zou niet weten wat ik zo belangrijk vind dat ik het vereeuwigd wil zien op een van mijn ledematen. Want wáár de afbeelding dan zou moeten komen, weet ik eigenlijk ook niet. Het hoeft niet en plein public zichtbaar te zijn – hooguit als ik aan het zwembad lig –, maar om het nou ergens te zetten waar ik het zelf ook niet kan zien?

En dan het grootste vraagstuk, waarover ik op mijn handdoek lag te peinzen: wat zou ik dan kiezen? Ga ik voor een ludieke, ironische tatoeage, die dan eigenlijk ook nog heel geëngageerd is, een guitig getekende witte neushoorn bijvoorbeeld, zo van: dan besta ik ten minste nog érgens? Of ben ik het aan mijn stand als vertaler en boekverkoper verplicht om een hoogstaand literair citaat te laten afdrukken? Thomas Mann, of Marcel Proust. Die laatste lag echter alleen maar in bed te schrijven en af en toe de dandy uit te hangen. Op een handdoekje aan het zwembad liggen en wat mijmeren kan ik zelf ook (sorry, Marcel). Een rebel heb ik nodig, iemand die me eraan herinnert buiten de gebaande paden te gaan. Zodat ik niet vergeet dat het leven zich nooit afspeelt waar andere zeggen. Dus…

Serge Gainsbourg! Natuurlijk. De Gitanes-rokende, over seks zingende poëet die het aanlegde met veel te jonge meisjes en het bril-jan-te conceptalbum l’Histoire de Melody Nelson schreef (losjes gebaseerd op mijn favoriete boek, Lolita van Vladimir Nabokov). Maar wordt het dan een citaat, een portret, of… ? Nog bloedhete middagen genoeg in het vooruitzicht om daar een antwoord op te verzinnen. Er moet in elk geval een draak bij. Want hoewel ik moordneigingen krijg van zomer en ik wat meer zou mogen rebelleren, vind ik zo’n enkelband ook weer wat overdreven.


1 reactie

Madelon Schlief · 9 september 2019 op 08:31

Leuk geschreven!

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.