Een paar weken geleden wenste ik een vriend, die op zijn fiets wegreed, een fijne wintersport met de woorden: “Veel plezier met skiën”. Een geinponem die toevallig ook langsfietste reageerde: “Ik heb nog lang geen vakantie vriend!” Terwijl ik een glimlach niet kon onderdrukken dacht ik: “Ik ook niet.” Bovendien heb ik nooit zoveel met wintersport gehad en vul ik mijn vakanties liever anders in.

Ten eerste ben ik niet zo sportief. Op school was ik dat jongetje dat als laatste (of vooruit: een-na-laatste) gekozen werd als er teams gemaakt moesten worden. Ik ben sportief motorisch gezien nooit zo handig geweest. Ik heb gevoetbald als kind, maar mijn strategisch inzicht was groter dan mijn technische vaardigheden. Ik kon uitstekend zien waar de bal wanneer heen moest, maar mijn benen hadden moeite met alle bewegingen (inclusief schijnbewegingen) die nodig waren om de bal daar op tijd te krijgen. Daarom ging ik daarna op schaken. Een denksport waar ik redelijk goed in was.

Ten tweede ben ik niet zo dapper. Als het even kan ga ik risico’s uit de weg. Zeker als deze fysiek van aard zijn. Zo vond ik als kind tijdens gym de bok, ringen en touwen verschrikkelijk. De bok vanwege de vaart waarmee je je daar op of over moest storten, de ringen omdat je er met gemak een arm in kon ontwrichten en de touwen omdat ik hoogtevrees had. Van een berg af roetsjen met de benen lekker strak vastgeklemd op een stel latten spreekt me dus ook niet aan. Ik laat het graag aan andere mensen over om hun benen te breken. “Break a leg!”, zeg ik dan.

Ten derde ben ik allergisch voor après-ski-muziek. Skihutmuziek spel ik het liefst zonder de s, i en h van skihut. Bovendien hou ik niet van shotjes en Glühwein. En met dat slappe evenementenbier dat ze ongetwijfeld schenken duurt het me te lang voor ik dronken genoeg ben om al dat gehos en gelal te tolereren.

Ten slotte hou ik ook niet van langlaufen. Dat is de sport waar je toe veroordeeld bent als je niet wilt skiën, maar toch op wintersport gaat. Dat overkwam mij op de middelbare school, toen we met enkele klassen naar Winterberg gingen. Vanwege mijn gebrek aan sportiviteit en moed, zoals hierboven omschreven, ging ik dus echt niet skiën. Zelfs niet toen bleek dat al mijn vrienden wel gingen skiën en om die reden in een andere bus zouden reizen. Ik moest kiezen welke angst ik tegemoet zou treden: die om op latten een berg af te gaan of die van een sociaal isolement. Dat laatste was een realistische angst, omdat ik erg verlegen was en niet makkelijk met mensen die ik niet goed kende omging.

Gelukkig ging er ook een jongen langlaufen die ik een beetje kende. Hij stond er om bekend dat hij niet tegen bloed kon. Of nee: niet tegen bloeden kon. Als hij een bloedneus kreeg, moest hij naar het ziekenhuis om de boel dicht te laten schroeien. Zijn bloed stolde namelijk niet goed. Tijdens de busreis zat ik naast hem en deelde mijn zure bommen met hem. Achteraf gezien verdiende hij mijn snoep niet. Toen we in Winterberg op de latten stonden smeerde hij hem en liet hij mij mooi alleen achter. Hij wilde blijkbaar niet met mij opgescheept zitten en was rapper op de latten dan ik. De rest was er op dat moment al vandoor. Aanhaken bij een ander groepje lukte dus niet meer.

Ik heb in mijn eentje enkele vreugdeloze rondjes om de omliggende velden proberen te maken, maar daar had ik al snel genoeg van. Ik bracht de langlaufmiddelen terug en wachtte tot we naar huis konden. Voor mijn gevoel stond ik dagenlang in de Siberische winter te wachten; koud en alleen. Op de terugweg in de bus ging ik mooi ergens anders zitten. De videoband van Who Framed Roger Rabbit zorgde voor afleiding tijdens de rit. Sinds die tijd heb ik geen lat meer aangeraakt en wat mij betreft blijft dat ook zo. En als ik die jongen die mij in de steek liet ooit nog een keer tegenkom, vergeef ik hem. Nadat ik hem eerst een tik op zijn neus heb gegeven. En een doekje.


0 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.