Ik lig op mijn buik terwijl een verpleger me in een soort houdgreep tegen de grond gedrukt houdt. Ik kan niet meer dan een paar seconden buiten bewustzijn zijn geweest, maar toch baal ik er van dat ik in deze benarde positie terecht ben gekomen. Dit alles speelt zich af op de eerste tropische dag van dit jaar. Ik zal beginnen bij het begin.

Ik maakte een afspraak om de eerste van twee spuiten te laten zetten tegen corona. Als gevolg daarvan kwam ik op een plakkerige warme middag met de bus aan in Wijchen. Na een stukje gelopen te hebben langs hallen waarin mannen met allerlei apparaten in de weer waren, arriveerde ik op de spuitplek. Het bleek een grote hal, waarvan ik me inbeeld dat er normaal gesproken monstertrucks geparkeerd staan. Of reusachtige kiepwagens met een laadbak zoals degenen die gebruikt worden in de dagmijnbouw in Canada, om afgegraven materialen te vervoeren. De monsterlijke machines hadden echter plaats gemaakt voor rijen mensen die een vaccin kwamen halen.

Intake

Na een korte intake verzamelde ik de gegevens die ik nodig had om toegelaten te worden, zoals de afspraakbevestiging met code in de mail. En natuurlijk mijn identiteitsbewijs. Ik schoot even in de stress toen bleek dat ik de uitnodigingsbrief zelf niet mee had genomen. Gelukkig was dat geen probleem en waren de andere documenten, inclusief ingevulde gezondheidsverklaring, voldoende bewijs voor mijn vaccinatiebedoelingen.

Daarna stond ik met een dwarsdoorsnede van de Nederlandse bevolking in een rij die zich om hekken heen slingerde alsof het een attractie in de Efteling betrof. Alleen waren er geen gezinnen met kinderen te bespeuren, want die hadden niets te zoeken in de prikhal. Mensen van mijn leeftijd waren oververtegenwoordigd, omdat dat logischerwijs de leeftijdsgroep was die tegelijkertijd met mij een afspraak mocht maken. Aan het einde van de rij stond een jonge man met een mondkapje op. Hij had zicht op de ingangen tot de spuithokjes en gaf groen licht als er ergens weer plek was. Zo meldde ik me met mijn papieren en identiteitsbewijs bij een tafel voor hokje vier. Nadat mijn gegevens nogmaals gecheckt waren, mocht ik het pashokje, pardon: prikhokje, in.

Prikperikelen

Aan de aardige jongedame die ik daar aantrof heb ik uitgelegd dat ik soms wat duizelig of misselijk word als ik met naalden van doen heb. Ze was heel begripvol en gaf me de keus hoe ik verder wilde gaan met prikken: dat ze aan zou geven wanneer ze zou prikken, of dat het juist als een verrassing kwam. Ik koos voor het laatste, zodat ze me nadat ik mijn linkerarm ontspannen langs de stoel liet bungelen prikte terwijl ze met me aan het babbelen was. Het prikje stelde weinig voor. Ik bleef even op de stoel zitten in het hokje, maar voelde me eigenlijk prima. Daarom besloot ik om verder te gaan. Kon zij ook door met haar werk.

Ik liep het hokje uit en werd de weg gewezen naar de ruimte waar iedereen een kwartier onder observatie moet blijven na het prikken. Daar ging ik zitten op een houten bankje van het soort waarop zeer godvruchtige monniken vroeger plaatsnamen om zichzelf met een karwats de zonden uit de rug te ranselen. Een uit de kluiten gewassen ventilator blies warme lucht mijn kant op. Terwijl ik wachtte, vroeg ik me af welke bus ik kon halen. Tien hete minuten gingen voorbij, toen ik me tot mijn verbazing alsnog duizelig begon te voelen. Omdat de hulpverleners zich aan de andere kant van de ruimte bevonden, stond ik voorzichtig op en liep naar ze toe. Ik wilde ze uitleggen dat ik duizelig was en dat het zou helpen als ik even ergens kon liggen met mijn benen omhoog. Dat is namelijk een beproefde methode om het bloed weer terug in je hoofd te krijgen. Ik was nog niet veel verder gekomen dan “ik voel me duizelig”, toen ik tegen de vlakte ging.

Bijkomen

Toen ik een paar seconden later bijkwam, lag ik als een verslagen judoka in de greep van een verpleger. Al snel kon ik dat verhaal over mijn benen alsnog vertellen. De man voegde de daad bij mijn woord, draaide me op mijn rug en drukte mijn benen in met zijn borstkas en gewicht alsof ik de grond in geboord moest worden. Daarbij drukte hij een van mijn voeten tegen de knop van zijn portofoon, zodat zijn collega’s elders ook mee konden genieten. Vervolgens werd ik in een rolstoel geholpen, weggereden en voor een ventilator gezet om bij te komen, waarna een arts me kwam controleren. Ik kon uitleggen welk euvel ik had en dat ik het bovendien niet van een vreemde had. Mijn vader had altijd hetzelfde, al heeft hij er de laatste paar jaar juist minder last van.

Al snel begon ik me wat beter te voelen en nadat ik dat had aangegeven reed de verpleger me door de zaal met geobserveerde mensen heen die ik kort daarvoor de stuipen op het lijf gejaagd had met mijn flauwe gedoe. De verpleger hield er zo’n vaart in dat ik me net een deelnemer aan een vreemde vorm van paralympische spelen voelde. Juichend gingen we de drempel die de finish was over en zetten onszelf in het zonnetje. Ik bedankte de verpleger voor zijn diensten met een elleboogje en ging rustig op weg naar een terrasje om de hoek. Daar bestelde ik een colaatje om met wat suikerwater mijn lichaamssappen aan te vullen. Ik had toch wat tijd te overbruggen tot de volgende bus.

Engel

Terwijl ik op het terras mijn drankje zat te doen, kwam er een mooie blonde vrouw op me af lopen, met een aureool van licht om haar hoofd. “Je herkent me zeker niet zonder mondkapje”, zei ze. “Ik was er net bij. Mooi om te zien dat het weer beter gaat. Komt iemand je zo ophalen?” Met een lichtelijk verbaasde uitdrukking op mijn gezicht antwoordde ik: “Bedankt voor de goede zorgen, maar ik pak zo de bus. En ik voel me inderdaad beter.” Daarna zei ze me gedag en heupwiegde weg. Tijdens mijn prikperikelen had ik haar helemaal niet gezien, maar ik vind het een prettige gedachte dat ik een engelbewaarder heb. Dat zal van pas komen als ik over een paar weken de tweede prik ga halen.


0 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.