Ik doe boodschappen in mijn lokale supermarkt. Om te beginnen kies ik een zak appels, want “an apple a day keeps the doctor away”. Mijn keuze is welbewust: ik ga voor het zoetzure van Elstars en bovendien check ik enkele zakken op beschadigingen en bruine plekjes op de appels die er in zitten. Dan voel ik nog een beetje aan ze door het doorzichtige plastic van de voorverpakking heen en leg ik de gelukkige winnaars in mijn winkelmandje.
Tijdens mijn jager-verzamelaarstocht door de winkel besluip ik door een gangpad een stel nietsvermoedende vrije uitloopeieren. Een ander roofdier is me echter voor. Een oudere man is in de weer met doosjes eieren. Hij pakt ze op, loert er in, betast de eieren, legt ze terug en pakt een volgende doos, enzovoort. Als hij merkt dat ik zijn handelen bekijk terwijl ik op mijn eierbeurt sta te wachten schrikt hij. Hij laat bijna een doos uit zijn handen vallen en slaagt er maar net in om deze weer in veiligheid te brengen op het schap. Dan pakt hij een andere doos en legt die in zijn wagentje. Ik mag. Aangezien ik zijn tastzin zwaar overdreven vond, neem ik me voor om de eieren niet eens te inspecteren. Ik zorg er alleen voor dat ik een doos kies, die niet vooraan, maar midden op het schap staat, omdat de kans groter is dat hij er dan niet met zijn fikken aan gezeten heeft.
Het betasten van voedsel doet me denken aan de tijd dat ik bij het Nijmeegse muZIEum werkte; toen dat nog bij de Stadsschouwburg ondergebracht was. Daar hoorde ik bij de groep vrijwilligers die bezoekers opving en uitleg gaf over niet of weinig kunnen zien en het primaire gebruik van een blindengeleidestok, voordat ze in de verduisterde kelders van de Schouwburg een rondleiding zouden krijgen van een blinde of slechtziende gids. Zelf heb ik wel een bril, maar ik val bij lange na niet in de categorie slechtziend. Om dus met enig gezag hier iets over te kunnen vertellen heb ik deze zogenaamde ‘donkerbelevingen’ ook een aantal keren zelf gedaan.
Ik vond het indrukwekkend om te ervaren hoe het is als je echt helemaal niets kunt zien. Het betekent dat je aangewezen bent op je andere zintuigen: je gehoor, reukvermogen en, vooral, de tast. De stem van de gids vormde een geruststellend baken in de duisternis, maar lopen moest je toch echt zelf doen. Daarbij had je je stok en je vrije hand nodig om aanvaringen met objecten en groepsgenoten te voorkomen. Het bezoeken van een kleine nagemaakte supermarkt maakte deel uit van de donkerbeleving. Dat wil zeggen dat je op de tast boodschappen moest doen. Eieren lagen niet op de schappen, want die zouden te vaak sneuvelen, waarna het al snel een vieze stinkende bedoening zou worden. Wel kon je door te voelen en/of ruiken meestal wel bepalen of je een blik conserven, een pak sap, een citroen, een sinaasappel of een appel te pakken had. Verder wist je natuurlijk nooit zeker of je een kiwi of een harige spin aan het aaien was. Of een harige arm van een groepsgenoot. Het vergt wel koelbloedigheid om als blind persoon door het leven te gaan.
De mensen die het gewend zijn, weten wat ze doen. Zelfs zonder zicht inspecteren ze hun koopwaar op de tast, een beetje zoals de man in de supermarkt met eieren en ik met appels. Nadat ik thuiskom van de supermarkt en mijn boodschappen heb opgeruimd, besluit ik om een broodje ei voor de lunch te maken. Op het moment dat het water kookt en ik de vers gekochte eierdoos open om een ei te pakken, staart het gat in een van de eieren me aan. Dat heeft die oude vent er zeker met zijn tasttengels in geprikt! Vloekend probeer ik het aangerande ei uit de doos te halen om het weg te gooien. De integriteit van het ei is echter aangetast en bovendien blijkt het zich vast te klampen aan het karton. Het ei verplettert in mijn greep, zodat de slijmerige inhoud over mijn vingers, de eierdoos en het aanrecht spat. Had ik nou toch maar beter gekeken!
2 reacties
Wim · 31 mei 2021 op 13:49
Leuk geschreven Tim!
admin · 31 mei 2021 op 21:03
Bedankt Wim!