In het stukje ‘Jack’ in de verzamelbundel Tat Tvam Asi van A.L. Snijders antwoordt de schrijver zijn kleinzoon Jack op pagina 13: “Ik zeg dat er niets droeviger is dan een boekenkast waarin alle boeken gelezen zijn.” De vraag van zijn kleinzoon was of hij al de boeken in zijn boekenkast gelezen had.

Als die vraag over mijn boekenkasten zou gaan (want ik heb er meer dan één), zou ik net als A.L. Snijders “nee” antwoorden. Bovendien ben ik het met hem eens dat een boekenkast waarin alle boeken gelezen zijn triest is. Al kan een ongelezen boek ook triest zijn, als het je herinnert aan iemand die er niet meer is.

Ongelezen boeken geven hoop. Ze betekenen dat er nog werelden voor het oprapen liggen, dat er ontdekkingsreizen te maken zijn en dat er iets nieuws te leren is. Dat laatste kan soms ook een belemmering zijn om in een boek te beginnen: misschien is het taaie kost. Om die reden zijn de ongelezen boeken die ik heb voor een groot deel non-fictie. Boeken over geschiedenis, wetenschap en filosofie vergen, zelfs als ze goed geschreven zijn, veel aandacht. Dus begin ik er minder snel aan en af en toe begin ik erin zonder ze echt uit te lezen. Dan blijf ik halverwege steken omdat mijn hoofd tolt van de feiten.

Ik hou van fictie in verschillende genres, uiteenlopend van historische romans, thrillers, fantasy, sciencefiction en horror tot literatuur. Met mijn ongelezen boeken in deze genres is waarschijnlijk het volgende aan de hand:

  1. Het zijn boeken waarvan ik vermoed dat ik ze goed zal vinden. Juist daarom geniet ik ervan om het lezen nog even uit te stellen. Dan heb ik iets om naar uit te kijken. Bij voorkeur lees ik ondertussen een ander goed boek.
  2. Het zijn literaire overblijfselen uit mijn middelbareschooltijd die destijds niet op een lijst belandden. Sindsdien hik ik er tegenaan om ze te lezen, omdat dat als huiswerk voelt. Zo ben ik nooit toegekomen aan Herinneringen aan een Engelbewaarder van W.F. Hermans.
  3. Het zijn boeken waarvan ik niet zeker weet of ik ze goed ga vinden. Dus twijfel ik om te beginnen. Soms twijfel ik zo lang dat het vergeten boeken worden. Tot er een aanleiding is om weer aan ze te denken. In het geval van J.G. Ballard, Empire of the Sun, was de aanleiding verdrietig.

Empire of the Sun heb ik ongeveer twintig jaar geleden geleend van een van mijn beste jeugdvrienden. In ruil voor dat boek kreeg hij mijn exemplaar van de post-apocalyptische sciencefiction-klassieker De Triffids komen (oorspronkelijk: The Day of the Triffids) van David Wyndham. In de jaren daarna verwaterde onze vriendschap tot er nog maar een stroompje van over was. Later droogde dat stroompje op en hadden we helemaal geen contact meer. Zo kan dat gaan met vriendschappen, omdat het leven mensen verschillende kanten op stuurt.

Toch vroeg ik me wel eens af hoe het met hem zou zijn. Iemand met wie je min of meer bent opgegroeid vergeet je niet zo snel. Onze vriendschap begon toen onze ouders elkaars buren werden. Daarna hebben we op dezelfde basisschool én middelbare school gezeten. We deelden onze computerspellen (Airborne Ranger, Shufflepuck Café, Defender of the Crown) en favoriete muziek (Metallica, House of Pain, Rage Against the Machine) met elkaar. Ik dronk mijn eerste biertje met hem.

Nadat ik dus jaren niets van of over hem vernomen had, kreeg ik op mijn verjaardag in coronajaar 2020 een bericht van zijn moeder. Zij had me via Schuinschrijvers gevonden. Haar bericht was een ietwat morbide cadeau: ze liet me weten dat haar zoon het jaar ervoor plotseling overleden was. Ze vond dat ik dat moest weten en daar ben ik haar dankbaar voor, omdat weten beter is dan niet weten. Behalve herinneringen heb ik nu slechts één fysiek aandenken aan mijn jeugdvriend: een enigszins vergeeld en beduimeld exemplaar van Empire of the Sun. Hoewel ik dat boek niet opnieuw zal vergeten, heb ik het nog steeds niet gelezen. Misschien houd ik dat wel zo.


0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.