Het is maandag. Precies een week nadat het blauwe maandag, ofwel ‘Blue Monday’ was: zogenaamd de meest deprimerende dag van het jaar. Je goede voornemens zijn weer gestrand in vastgeroeste gewoontes (of doordat je gestopt bent met roken ben je dikker geworden) en de prins of prinses op het witte paard is nog steeds niet je leven binnen gegaloppeerd. Dit soort dingen, aangevuld met slecht weer, schulden, de matige stand van je salaris en de gebrekkige motivatie om iets aan je belabberde situatie te doen, zorgen er volgens de bedenker van de blauwe maandag voor dat veel mensen zich op die dag neerslachtig voelen.
‘Wat een onzin’, denk ik dan. Logisch dat je in de donkere delen van het jaar wat minder vrolijk bent, want met minder zonlicht voelt iedereen zich slechter. In de herfst ben ik altijd melancholisch en in de winter soms wat neerslachtig, maar lekker onder de wol met een fijn boek of met vrienden een kroeg in doet bij mij altijd wonderen. Toch was ik op de blauwe maandag van dit jaar inderdaad niet in goeden doen: ik had slecht geslapen. Misschien kwam dit echter niet doordat de maan blauw was, maar doordat zij rood was.
In de nacht van zondag op maandag, tussen 5.41 en 6.12 uur was namelijk een super-bloed-wolfmaan te zien in Nederland. Een bijzondere samenloop van omstandigheden die haar die bombastische naam opleverde. Helaas was ik, ondanks mijn onrustige nacht, juist niet wakker op het moment dat de maan haar kunsten vertoonde. Ik draaide me nog eens om en droomde een grimmig sprookje.
De minstreel en de maan
Sommige mensen vallen op hun eigen spiegelbeeld. De minstreel werd echter verliefd op de reflectie van de volle maan in het meer. Ze scheen hem heupwiegend tegemoet in de lichte golfslag van het water. Hij probeerde haar te vangen, maar ze glipte hem door de vingers, waarna hij natte handen had.
Toen riep hij haar tot leven in een lied. De maangodin was gekleed in een zijden wit gewaad waar de welvingen van haar borsten en billen goed in uitkwamen. Ze had lange zwarte krullen en een sensuele mond. Hij kuste haar. Ze smaakte naar suiker en kaneel. Hij beminde en streelde de maan zoals alleen een minstreel dat kan. Ze dansten de hele nacht over het tapijt van de sterren en waren o zo gelukkig. Tot de ochtend gloorde en de helderste ster van allen haar op kwam eisen. Haar man, de zon. De minstreel verzette zich hevig, maar verblind door de zon verloor hij de maan uit het oog. De hele dag zwierf hij radeloos rond op zoek naar een spoor van zijn maneschijn. Tot de avond viel. Daar stond ze aan de hemel. Onbereikbaar als voorheen. Hij zong uit alle macht, maar deze keer kon hij haar niet oproepen. Ze was vastgeklonken aan de hemel door haar jaloerse echtgenoot.
Nacht na nacht, terwijl de maan eerst afnam en toen weer wassend werd, probeerde hij haar te bevrijden met zijn melancholische liederen. Tevergeefs. Hij werd er gek van. De minstreel vergat langzaam maar zeker wie hij was. Hij vermeed mensen en zong uitsluitend nog voor de maan. Alleen in de wildernis. Zijn haar groeide lang en zijn baard woest. Met geharde zwarte nagels greep hij eekhoorns of andere glibberigere dingen en verslond ze met gele tanden. Het bloed droop van zijn lippen. Botjes zoog hij kaal voordat hij ze uitspuugde. Elke volle maan klonk zijn gehuil door het bos. Zelfs doorgewinterde struikrovers waagden zich dan niet in het woud. Zo verging het de minstreel tot het maanlicht zijn knekels liefkoosde. Dieren en insecten hadden hem ontdaan van kleren, huid en vlees. Zijn schedel lag een eind van de rest van zijn geraamte en staarde nog altijd naar boven, de kaken half open in aanbidding.
0 reacties