Lief dagboek,
Vandaag word ik wakker voordat de wekker wakker wordt. Het is nog fris in de ochtend. De ketel onder mijn vloer slaat aan in de kelderruimte waar tijdens de Tweede Wereldoorlog onderduikers verborgen zaten. Het daglicht schijnt door de spleetjes in mijn luxaflex. Ik open ze.
Ik zie de boom voor mijn raam. Zij is lentegroen.
Ik zie jongens en meisjes op weg naar school: met de fiets of lopend, in een rechte lijn, of met een omweg en een smoes waarom ze te laat bij de les zijn. Twee meisjes lopen hand in hand. Lief. Zij zijn op weg naar de voormalige aula van de Katholieke Universiteit Nijmegen, die tegenwoordig dienst doet als middelbare school. In de oorlog zat De Hoge Raad hier, het hoogste rechtsorgaan. In die tijd was recht echter krom.
Ik zie mensen op weg naar hun werk gaan met een kater en spierpijn van het vieren van de vrijheid, een dag eerder. Met de auto, op de fiets, te voet, of op weg naar het station. Studenten zijn op weg naar colleges, op huurfietsen met blauwe banden of op rammelende stukken oud ijzer die hooguit gestolen zullen worden door andere (weinig kieskeurige) studenten. Soms zwalken ze over de weg vanwege een slag in het wiel, soms vanwege slaapgebrek en vaak omdat ze op hun telefoon kijken.
Ik zie een vrouw in een tuin die iets ziet. Ze kijkt ergens naar door de lens van haar slimme telefoon. Ik hoor een geluid: “Trrrrrat, tat, tat, tat, tonk.” Als een mitrailleur met een holle naklank. Zou dat er iets mee te maken hebben? Ik kijk in de richting waarin zij kijkt en probeer tegelijkertijd de bron van het geluid thuis te brengen. Ik werp een blik omhoog, maar zie geen overvliegende bommenwerpers waar luchtafweergeschut voor nodig is. “Trrrrrrat, tat, tat, toink, tonk!” Dan zie ik hem: op het metalen torentje van het huis zit een specht. Of hij groot of klein is, weet ik niet, maar hij is in ieder geval bont. En hij maakt het ook bont: hij ziet het torentje aan voor een boom en geeft het een pak rammel.
Ik zie een zwart-met-witte kat die als een leeuw op zijn troon op een pilaar voor het studentenhuis zit. Hij geniet van de zon en houdt een samengeknepen oogje op de jonge mannen die aan de overkant een bal hoog proberen te houden. Ze dragen witte hemden met zweetplekken onder de oksels en kleine zwarte stropdassen. Ze lijken op de dispuutsjongens die tijdens de oorlog soldaten van Oranje werden.
Ik zie een oude vrouw die met een leesbril en een groot schrift op een bankje zit in het park. Haar kleindochter met zwart haar rent in alle vrijheid met een hondje over het gras. Oma schrijft met een kroontjespen in zwierige letters in haar schrift.
Lief dagboek,
Het is een mooie dag.
0 reacties