“Welkom Bram”, zegt de lange man aan het hoofd van de eettafel terwijl hij zeer witte tanden bloot lacht en zijn hand uitsteekt. Ze schudden handen. “Mijn naam is Hugo de Raaf en ik ben de directeur van De Raaf & Co. Dit zijn mijn kinderen”, zegt hij met een zwaai van zijn arm richting het gezelschap om hem heen. “We hebben goede dingen over je gehoord.” Sommige van de jonge mannen en vrouwen stoten elkaar verwachtingsvol aan terwijl ze hem openlijk aanstaren. 

Het kost Bram moeite om zijn zenuwen in bedwang te houden, want er hangt veel af van deze afspraak in het herenhuis in Ubbergen. Zijn periode als stagiair zit erop en het wordt tijd voor een echte baan. Bram grijpt zich vast aan het script dat hij heeft voorbereid: “Het is een eer om hier te zijn, omdat ik het werk van uw firma zeer bewonder. Met name de liefdadigheidsprojecten voor ouders die kinderen adopteren. Zelf ben ik opgegroeid in een pleeggezin.” “Dat is mooi om te horen Bram. Hou die gedachte vast,” zegt de directeur. “We komen er na de maaltijd op terug. Ga zitten.” Hij wijst een stoel aan in het midden van de tafel tussen twee identieke knappe blonde vrouwen in. De tweeling Monika en Wilhelmina. Bram geeft ze om beurten een hand. Het valt hem op dat ze allebei een stevige koele handdruk hebben en keurig gepolijste lange nagels. 

Een butler verzorgt de bediening. Hij schenkt iedereen rode wijn in en serveert daarna vlot de voorgerechten uit. De wijn heeft een bittere nasmaak en de carpaccio zwemt in zijn eigen bloed. Rondom hem maken de eters slurpende geluiden terwijl ze het vlees en het sap naar binnen werken. Het hoofdgerecht bestaat uit aardappelpuree met donkerbruin stoofvlees. De gastheer serveert er zelf champagne uit een reusachtige fles bij. Hij houdt de fles met verbazingwekkend gemak met één hand vast terwijl hij met een heus sabel in een vloeiende beweging de kurk eraf slaat. “Dank u wel”, stamelt Bram als de directeur hem het sprankelende vocht inschenkt. Het stoofvlees is goed gekruid, maar het kost Bram moeite om er doorheen te komen, omdat zijn maag wat van streek is. 

Als de borden en glazen van de hoofdmaaltijd zijn afgeruimd door de butler en het bestek is uitgerinkeld, daalt er een plechtige stilte neer over de groep eters. De directeur is gaan staan en brengt een soort militair saluut met zijn sabel. “Dan is het nu tijd voor het toetje! Aardbeienijs met siroop.” De butler komt de kamer binnen met een dienblad met kommetjes ijs erop. Bram ziet dat het ijs au naturel is. “Laat de siroop maar komen”, zegt hij. 

“Daar zorgen we voor”, zegt de blonde dame aan zijn linkerzijde. Tot Brams verrassing pakt ze plotseling zijn linkerhand vast alsof ze oude geliefden zijn. Beschaamd probeert hij zijn hand terug te trekken, maar haar grip is zo stevig dat hem dat niet lukt. Dan voelt hij hoe zijn andere buurvrouw zijn rechterhand grijpt zodat hij nergens heen kan. Ze glimlacht ondeugend tegen hem terwijl haar hoektanden zichtbaar groeien. Bram rilt onder haar hongerige blik. Hij probeert op te staan, maar twee handen als bankschroeven dalen van achter op zijn schouders neer en pinnen hem vast in zijn stoel. 

“Wat doen jullie?!”, roept Bram. “Jij bent ons toetje schat”, zegt de vrouw aan zijn linkerzijde, terwijl ze zijn hand omdraait zodat de palm naar boven gericht is en zijn mouw afstroopt. Met haar scherpe nagel haalt ze sensueel zijn pols open in de richting van de ader. Het bloed spuit eruit. Bram gilt. De andere helft van de tweeling ramt zijn rechterarm op de tafel en haalt ook die pols open met haar nagel. Het laatste dat Bram ziet voordat hij het bewustzijn verliest is hoe de andere tafelgenoten zich met lange tanden verdringen om zijn bloed op te vangen in hun kommetjes met aardbeienijs.


1 reactie

Marja van Rossum · 20 oktober 2025 op 09:46

Jaaa! Ik moest ineens denken aan dat lied vroeger van ZZ en de maskers: Dracula!

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.