Ik word wakker en wrijf iets te hard de zandkorrels uit mijn ogen. Daardoor zie ik lichtgevende croissantjes achter mijn oogleden oplichten. Lekker. Ik woon iets te ver van de bakkerij om de geur van vers gebakken brood te kunnen ruiken, maar ik beeld het me gewoon in. En ik neem me voor om vandaag naar de bakker te gaan. Iets wat ik sinds ik in deze buurt woon 1 keer per week doe.

Toen ik nog lag te slapen waren de kaboutertjes in de bakkerij al aan het werk. Met hun David Lettermanbaarden netjes ingesnoerd in een netje. We willen geen haren in het brood. De kaboutervrouwtjes hebben gelukkig geen last van baardhaar. Zij zijn eigenlijk de beste bakkers. Baksters. Verrukkelijke bakluchtjes verspreiden zich over de buurt rondom de bakkerij. Ik haal mijn brood graag bij de bakker. Niet bij de supermarkt. Ik ben van de lokale winkel gaan houden. Bovendien maak ik van mijn bezoek aan de bakker altijd meteen een wandelingetje. In plaats van rechtstreeks naar huis te lopen maak ik op de terugweg een omweg om zo een beetje aan mijn conditie te werken.

Aan het eind van de ochtend ga ik op weg. Als ik in de straat kom waar de bakkerij aan ligt, blijf ik in eerste instantie links lopen. Op het moment dat ik aanstalten maak om over te steken zie ik op het fietspad aan de overkant een aparte verschijning. Ik kijk schuin op de achterkant van een fietser die bepakt en bezakt zo langzaam fietst dat het me verwondert dat hij of zij overeind blijft. Als ik overgestoken ben loop ik op de stoep achter de fietser aan en ik win langzaam terrein, maar niet genoeg om deze in te halen. Tot de fietser stopt voor de bakker waar ik naar op weg ben. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de fietser een corpulente man is met zwart haar. Hij ademt zwaar in zijn mondkapje. Het is redelijk druk in de winkel waardoor ik even buiten moet wachten, om zo de anderhalvemetersamenleving in stand te houden.

“Wat hebben ze hier allemaal voor lekkers?”, vraagt de fietser die achter mij op het fietspad blijft staan. Ik draai me half om en kijk in zijn vrolijke met een baard omringde vollemaansgezicht. Hij heeft inmiddels zijn mondkapje laten zakken. “Van alles”, antwoord ik met een glimlach die achter mijn mondkapje schuil gaat. “Wat zou je aanraden?” “Nou”, zeg ik, “ze hebben erg goede saucijzenbroodjes”. Hij lacht. “Niet te vet?” “Nee hoor, niet te vet.” Op dat moment besluit hij om mee te delen dat hij hartpatiënt is en op weg naar de stad. “Rustig aan dus”, concludeer ik. “Inderdaad”, zegt hij, “rustig aan”. Ik check de rij voor me en zie dat er plaats voor me is in de winkel. Ik stap naar binnen en prijs me gelukkig vanwege al het lekkers om me heen waar mijn hart alleen maar blij van wordt.


0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.