Mijn tandarts gaat weg. Dit werd me medegedeeld via een e-mail naar al zijn klanten. Na jarenlange samenwerking met zijn collega in deze praktijk, gaan ze uit elkaar. Zijn collega blijft werken, terwijl hij stopt, omdat hij eind mei gaat trouwen. Je zou denken dat je na je huwelijk nog best door kunt werken; zelfs vrouwen mogen sinds 1956 gewoon doorwerken als ze trouwen. Maar nee, voor mijn tandarts is het een reden om te stoppen met werken.

Hij gaat namelijk niet zomaar even trouwen, vertelt de e-mail mij. Nadat de huwelijkse ceremonie voltrokken is, gaat hij met zijn vrouw voor onbepaalde tijd op huwelijksreis. Voor on-be-paal-de-tijd! Jawel. Er wordt een vervangende tandarts gezocht, maar eerst moest ik afgelopen week nog even langskomen om een gaatje te laten vullen.

Dat komt hem natuurlijk goed uit. Mij minder. Maar ach, ik ben ook de beroerdste niet. Dankzij het moeilijk bereikbare plekje tussen mijn kiezen heeft de tandarts straks een extra nachtje in een luxe all-inclusive resort; met zijn grote liefde in een groot zacht bed, bestrooid met bloemblaadjes, badend in het zachte licht van waxinelichtjes met rozengeur en maneschijn. En ik wil ook niet het risico nemen dat mijn kies over een jaar van ellende uit elkaar valt of met stekende pijnen een rottingsproces aankondigt. Dus ik nam plaats in de tandartsstoel, vastbesloten niets te zeggen over zijn huwelijk, de reis of zijn vertrek.

Ik heb in mijn leven nog niet zo vaak tandproblemen gehad. Goeie tanden. Een gaatje vullen vind ik dus best een dingetje, en het gevoel van een boor in je kies vind ik vreselijk. Dit keer gaf ik dus maar meteen aan dat ik een verdoving wilde. Het vervelendste daaraan is die spuit in je gehemelte en tandvlees, en het gore smaakje. De tandarts ging aan de slag. Hij werd geassisteerd door een jongedame met blauw-paars haar. Dat stemde me wel vrolijk. Het leek net een pruik, zoals het glansde in het kille tandartsenlicht. Ze gaf hem tangetjes, watjes en andere instrumenten aan terwijl hij met zijn hoofd boven mijn gezicht hing. Met een stofzuigerslang zoog ze het kwijl uit mijn mond.

Terwijl hij met minstens drie dingen in mijn mond zit te rommelen vraagt hij: “Gaat het?” Tja, wat doe je dan? Knikken gaat niet, want je wil je hoofd stilhouden. Praten gaat ook niet, door al dat spul in je mond. Ik stoot maar een soort hum uit als teken dat ik in ieder geval nog leef. Hij neemt er genoegen mee en gaat door. Op een gegeven moment lijkt er iets aan de hand te zijn. De assistent moet ingrijpen met iets. De tandarts mompelt iets geruststellends, tegen haar, tegen mij, tegen zichzelf misschien. Ja, dat kan gebeuren, zegt hij, als het verholpen lijkt te zijn. Wat er aan de hand is, weet ik niet. Ik kan het niet vragen. Wil het eigenlijk ook niet weten. Als het maar opgelost wordt.

Als ze klaar zijn, alle watjes, apparaten en zuigslangen weer verwijderd zijn en ik mijn mond gespoeld heb, geef ik de tandarts een hand. Mijn neus tintelt en mijn wang voelt raar. “Nou, bedankt. En gefeliciteerd nog, met je verloving. En een goede reis gewenst.” Hij lacht zijn keurig onderhouden gebit bloot. Dankjewel!


1 reactie

Hans Koning · 3 februari 2020 op 07:11

Weer mooi verteld Linda. Luister eens naar de conference ‘de tandarts’ van Henk Elsink. Kun je nog even nagenieten😀

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.