Na een verfrissende duik in de zee met een vriendin waden we terug naar het strand, waar onze andere vriendin ons opwacht onder de parasol. Er gaat niets boven kopje-onder in de zoute golven: we voelen ons heerlijk vrij en vrolijk. Plotseling glibbert er iets langs mijn arm, gevolgd door een prikkelend gevoel, alsof ik in de brandnetels ben gevallen. Ik zie niet wat het was, maar vermoed dat ik zojuist mijn eerste kwallenbeet heb ervaren. Het is een zomers weekend in Zeeland en de zon brandt aan de hemel.

Aangekomen bij de handdoeken prikt mijn arm een beetje, en er verschijnen rode vlekjes op mijn huid. Gelukkig heeft één van mijn vriendinnen nét haar EHBO-diploma behaald, waardoor ze zelfverzekerd zegt: “Je moet het onder lauw water houden. Ga even bij het restaurant naar binnen om te vragen of dat daar kan. Of in zout water, dat kan ook.” Nou, zout water genoeg hier, lijkt me. Dus ik ga op een drafje weer de zee in, waar ik – na te kijken of er geen kwallen meer ronddrijven – op mijn knieën in het ondiepe water ga zitten met mijn arm onder water.

Ik ben me ervan bewust dat het er waarschijnlijk uitziet alsof ik zit te plassen, maar dat kan me even niet schelen. Het water verkoelt mijn arm en ik zit eigenlijk wel lekker hier. Plotseling komt er een man door het water naar me toe gelopen. Hij begint me nat te spetteren. Verbaasd, maar nog steeds goedgemutst zeg ik enigszins sarcastisch “eh, bedankt”. De man is van middelbare leeftijd en grijnst een onverzorgd gebit tevoorschijn in zijn donkere gezicht. Hij draagt een onderbroek in plaats van een zwembroek. Ik probeer niet naar zijn kruis te kijken, dat zich op mijn ooghoogte bevindt. Hoewel hij klein en mager van postuur is, torent hij nu wel boven me uit, omdat ik nog steeds op mijn knieën zit. Ik overweeg op te staan, maar besef dat ik dan halfnaakt – want ik draag alleen een bikini – tegenover hem kom te staan. Even blijven zitten dus maar.

Hij begint te kletsen, of eigenlijk vooral vragen op me af te vuren. “Wat doe je hier?” “Waar kom je vandaan?” “Ben je op vakantie?” “Wanneer ga je weer terug?” Ik geef korte antwoorden; voel me niet in staat hem te negeren of af te snauwen. Hij doet immers niet onaardig. “Ga je morgen al naar huis? Waarom blijf je niet nog een week bij mij?” Ik denk “Rot op” maar zeg (waarschijnlijk met nog steeds die oh-zo-vriendelijke glimlach op mijn gezicht) dat ik naar huis moet om te werken. “Werken? Wat voor werk?” Hij blijft maar doorvragen en zegt dat hij in de buurt woont. Eindelijk doorbreek ik het gesprek en zeg dat ik terug ga naar mijn vriendinnen. Ik sta op en voel me veel te naakt, in mijn bloemetjesbikini. Hij lacht, spettert water naar me toe en tikt me plagerig op mijn rug terwijl ik wegloop. Ik loop snel door en hoop dat hij niet achter me aankomt. Gelukkig doet hij dat niet.

Opgelucht plof ik neer op de handdoek bij mijn vriendinnen die onbezorgd liggen te zonnen. Mijn prikkende arm voelt gelukkig al iets beter; de kwal heeft me blijkbaar maar lichtjes geraakt. Als ik mijn gezelschap vertel over de vervelende man reageren ze meelevend. Rare jongens, die mannen. Al snel hervatten we ons heerlijk zonnige weekend en denken er niet meer aan.

Pas als ik allang weer terug ben in Nijmegen besef ik hoe machteloos ik me voelde tegenover dat ielige mannetje. Waarom bleef ik zo vriendelijk? Voor het eerst in lange tijd heb ik een nachtmerrie, over een man die zich aan me opdringt. Nu is het genoeg, besluit ik. Op Google zoek ik naar cursussen om mezelf te leren verdedigen. Klaar met die benauwde beleefdheid. “Rot op, kwal!”


1 reactie

Madelon · 27 augustus 2018 op 11:48

Wat een kwal ja! Veel mensen tolereren zulk gedrag terwijl het gewoon nergens op slaat inderdaad!

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.