Iedereen heeft wel van die films, boeken of series die je van voren naar achteren kent, maar die je er desondanks (of juist daarom) steeds weer bij pakt. Eén zo’n film is voor mij About a boy (2002): nietsnut Will (Hugh Grant) leeft van de royalty’s van zijn vaders kersthit en verdoet zijn dagen met vrouwen versieren, in dure auto’s rijden en naar de kapper gaan. Hij heeft geen diepgaande vriendschappen of relaties, waarover iemand op een gegeven moment hoofdschuddend opmerkt: ‘No man is an island.’ Waarop Will zegt: ‘I’m a bloody island. I’m bloody Ibiza.
Ik kan de scène dromen, en moest altijd lachen om de verontwaardiging op Hugh Grants gezicht. Maar dit keer vraag ik me af: ben ik niet een eiland geworden sinds ik volledig als zzp’er ben gaan werken? Misschien niet zozeer party-eiland Ibiza, maar eerder een klein eilandje voor de kust van Noorwegen. Ik maak deel uit van een eilandengroep van vertalers en redacteuren. Mensen die allemaal op hun eigen plek digitaal contact onderhouden met elkaar, maar elkaar slechts sporadisch in het echt zien. Soms is het niet zo erg om in afzondering te werken: het is rustig, je krijgt veel gedaan en je hoeft niet constant rekening te houden met ellenlange vergaderingen en gedoetjes. Maar op een gegeven moment verlang je toch naar wat reuring. Je hebt anderen nodig om te groeien.
Ik merk het bij de lessen zenmeditatie die ik wekelijks volg: samen mediteren voelt stiller, intenser dan in je eentje op een kussen zitten. In de sutra die we steeds reciteren komt de zin ‘gegaan, samen gegaan’ (maar dan in het Japans) terug. We hebben elkaar nodig. Ik lees het ook in het boek van Katja Hoyer dat ik nu op mijn nachtkastje heb liggen. Beyond the Wall, over de DDR.
De DDR: een socialistische staat waarin de nadruk lag op samen een nieuwe maatschappij opbouwen. Een beter Duitsland. Mensen waren tot op zekere hoogte bereid te dealen met alle sores in de nieuwe staat. Misschien verdienen we niet zoveel geld, maar niemand verdient hier veel. Misschien hebben we niet de grootste luxe, maar we hebben iets beters dan dat: besef van bescheidenheid. Voor idealen is het minder erg hongerlijden. Voormalig DDR’ers vertellen in het boek dat ze niet alleen socialistisch waren, maar vooral ook sociaal. Mensen hadden elkaar nodig, al was het maar om voor hen in de rij te gaan staan voor de bananen die maar heel af en toe in de schappen kwamen.
En wij dan, zijn we allemaal een soort Wills geworden? In de veronderstelling dat we het zelf wel kunnen? Financieel onafhankelijk, vrij, liefst zo min mogelijk gebonden? Hebben we de illusie gecreëerd dat we elkaar niet meer nodig hebben? Dat we, als we maar hard genoeg werken, het allemaal zelf wel kunnen?
Dan vergeten we alleen één belangrijk ding: eilanden zijn helemaal niet op zichzelf staand. John Donne had gelijk: ‘No man is an island / Entire of itself; / Every man is a piece of the continent, / a part of the main.’ Zelfs al zou je het willen, dan nog ben je verbonden met alles en iedereen om je heen – onder de zee zijn zelfs de meest verafgelegen eilanden met elkaar verstrengeld.
Ik vind dat een troostende gedachte – ik ben niet alleen. Ik heb anderen nodig, maar zij hebben mij ook nodig. En op sommige dagen denk ik nog steeds: ‘I’m a bloody island.’
0 reacties