Afgelopen vrijdag ging ik naar het sportcentrum om mijn wekelijkse fitness- en cardio-oefeningen te doen. Dat gaat sinds de heropening van sportcentra in juli op afspraak via een app. Bovendien moet je vrij zijn van klachten die op corona kunnen wijzen. Ik ben iets te laat en omdat ik weet dat alle plekken gereserveerd zijn maak ik me een beetje zorgen. Ze zullen me toch wel binnen laten?

Nadat ik me omgekleed heb en me in sportoutfit naar de fitnessruimte begeef, moet ik even wachten omdat er een meisje voor de poortjes bij de ingang staat. Ze haalt haar pasje over het elektronische oog. Het poortje gaat niet open. Nog een keer. Weer niets. Twee sportinstructeurs die binnen staan, zien haar stuntelen en vragen of ze gereserveerd heeft. “Ja ik heb me aangemeld”, zegt ze. “Dat is vreemd”, zegt een van de jongens, “dan zou het moeten werken.” Dan licht zijn gezicht op. “Tenzij je Silke bent”, zegt hij. Het meisje vraagt: “Als ik Silke ben, mag ik niet naar binnen?” Ze maakt aanstalten om onder de stang van het poortje door te kruipen. “Nee, nee,” zegt de sportinstructeur terwijl hij wijst, “dan mag je langs de deur naar binnen”. Zijn collega maakt de deur voor haar open en Silke loopt naar binnen.

De weg is vrij en ik probeer mijn pasje. In één keer goed. Daar ben ik blij om, want ik heet geen Silke en met de tweede coronagolf die aan een opmars bezig is in ons land, is het de vraag hoe lang we nog de sportschool in kunnen. Zolang het kan, geniet ik er maar van. Hoewel, genieten is misschien niet het juiste woord. Het sportcentrum heeft veel weg van een crime scene uit CSI: als je eenmaal binnen bent is de helft van alle apparaten afgeplakt met wit-rode tape alsof er net een moord heeft plaatsgevonden. Verder krijg je als bezoeker standaard een mandje met ontsmettingsmiddel en een rol papier mee om telkens na gebruik van een apparaat je sporen uit te wissen.

Je wordt dus aan het werk gezet. Inmiddels ben ik daar aan gewend en ik denk dat er flinke straffen staan op het niet naleven van de regels. Een maand geleden zag ik namelijk iemand bezig op het naastgelegen sportveld, met iets wat alleen maar een werkstraf kon zijn. Hij was bezig om met een gewicht dat via een touw aan zijn middel gebonden was het veld om te ploegen. Heen en weer over de breedte van het veld ging hij. Bovendien wisselde hij die werkzaamheden af met het aanvallen van een enorme autoband. Die gaf hij dan een pak slaag met een moker. Vervolgens ploegde hij weer verder. Enzovoort enzoverder. Voor de zekerheid poets ik mijn fitnessapparaat dus glimmend schoon na mijn oefeningen.

Verder is er ook streng toezicht op de studenten die op de fiets komen. Die zetten constant hun fietsen neer bij de ingang van het sportveld. Dat mag blijkbaar niet, want er komt nu telkens een man in geel hesje, die de fietsen een voor een optilt en naar de fietsenkelder onder het sportcentrum sleept. Is dit werkvoorziening? Ook een straf? Of coronaprotocol?

Ondertussen hou ik mijn hart vast wat betreft de beperkingen van ons sociale en sportieve leven. Ik heb vast een mooie set zwarte, wasbare mondkapjes in huis gehaald. Die worden nu dringend aangeraden (al zijn ze niet verplicht) in openbare binnenruimtes. Als ik daar een cowboyhoed bij opzet, zie ik eruit als een schurk uit het wilde westen die op het punt staat om de trein te overvallen. Dat heeft wel iets: een nieuw imago. Toch hoop ik dat het nooit verplicht gaat worden om te moeten sporten met een mondkapje op. Dan wordt het nóg moeilijker om de sportschool in te komen. Tenzij je Silke bent natuurlijk.


0 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.