De vlieg op de muur neemt de woonkamer in zich op. Het zonlicht dat weerkaatst op het laminaat, de pluizen die over de vloer dansen alsof ze aangeraakt zijn door een woestijnwind uit een sprookje van 1001 nachten, gevallen kruimels, de spin in haar web, maar bovenal: het wezen in de ochtendjas. Het wezen beweegt zich met reusachtige stappen door de ruimte, met in zijn ene poot een bassin met een heet dampend, groen getint meer erin en in de andere een plateau met een voedselberg er op. Een berg die omringd wordt door in het vuur geharde korsten en die in het midden dooraderd is met een brokkelige poepkleurige pindapasta.

De vlieg op de muur wordt geprikkeld door de hemelse geur die ervan af komt. Hij begint bij wijze van spreken te watertanden. In zijn geval wil dat zeggen dat hij jeuk aan zijn slurf krijgt. Zodra het wezen gebogen zit over zijn voedselberg en het draagbare meer op een stoffen vlakte heeft neergezet, doet de vlieg een eerste poging. Met zijn zes poten zet hij zich af tegen de muur, slaat zijn vleugels uit en cirkelt als een verkenningsvliegtuig om de voedselberg heen. Uit enkele van zijn vele ooghoeken ziet hij het vleeskleurige gevaar ruim op tijd aankomen. Zwoesj! Hij past zijn vlucht aan op de lucht die zich verplaatst en maakt zich in enkele bochten uit de voeten. Dit keer landt hij op het raam.

De vlieg op het raam gebruikt de zuignappen die hij heeft om zich aan het glas te hechten. Hij kijkt recht naar beneden de afgrond in. Daarbij heeft hij even moeite om zich te oriënteren, omdat zijn ogen moeten wennen aan het ochtendlicht dat om hem heen door het raam naar binnen golft. De vlieg baadt in het licht. Net als zijn ogen gewend zijn, komt het wapen op hem af. Het zou hem van het raam geveegd hebben als hij niet zulke snelle reflexen had. Het wezen doemt achter het wapen op. De vlieg had kunnen weten dat hij erachter zat.

De vlieg vliegt door de kamer. Hij voelt dat het wezen nog steeds achter hem aan zit. Hij zwenkt in de hal rechtsaf de keuken in en overweegt even om de voedselbrok die op de stenen vlakte ligt te bepotelen. Als hij er echter op af gaat, voelt hij aan zijn vliegenzintuig dat het nog steeds niet veilig is en de vlieg verandert van richting. Een object schiet langs hem heen en smakt op het aanrecht.

De vlieg vlucht de keuken uit, via een vochtige, betegelde ruimte de slaapkamer in. Daar ziet hij daglicht in de verte. Met de moed der wanhoop gaat hij erop af. In zijn enthousiasme klapt hij tegen het glas en maakt een noodlanding op de vensterbank. Hij schudt zijn kop om de duizeligheid kwijt te raken en is net op tijd weer in de lucht om het wezen te ontwijken. Deze keer lukt het hem om door het openstaande kiepraam de kou in te vliegen.

De vlieg ruikt zijn beloning. Beneden hem maakt een harig beest zich los uit de groene vlakte. Het heeft net iets verrukkelijks achtergelaten en de vlieg is er als eerste bij. Vol overgave duikt hij de warme dampende heerlijkheid in. Hij steekt zijn zuiger in zijn ontbijt om het bruine goud vloeibaar te maken. Lekker vers! Precies waar hij van houdt.

Categorieën: Tim Wachelder

0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.