Wanneer je de Nobelprijs krijgt toegekend, valt moeilijk te ontkennen dat je maatschappelijk geslaagd bent. Toch vraag ik me af of het winnen van de Nobelprijs voor Literatuur inderdaad zo voelt voor de Franse schrijfster Annie Ernaux (1940). In haar sterk autobiografisch getinte romans probeert ze aan de hand van de collectieve geschiedenis en allerlei voorwerpen haar persoonlijke verleden te reconstrueren. Ernaux kan haar leven enkel beschrijven aan de hand van het grotere geheel waarin het plaatsvindt: in al haar boeken is een sociale component aanwezig.
Toen ik deze week De schaamte (1997) las, trof mij daarin de gedachte dat je misschien wel je best kunt doen je te ontworstelen aan je – onbemiddelde – achtergrond, maar dat die achtergrond altijd invloed blijft uitoefenen. Ernaux groeide op als dochter van twee fabrieksarbeiders, die als kleine middenstanders (ze hadden een kruidenierszaak) op de sociale ladder waren geklommen. Ze pasten zich aan aan de mores die bij hun klasse pasten. Daar hoorde onder andere bij dat Ernaux naar een katholieke meisjesschool gestuurd werd, en daar het onderwijs kon genieten dat haar ouders nooit hadden gehad. Wanneer haar vader in een woede-aanval echter het mes op de keel van haar moeder zet, voelt de dan 12-jarige Ernaux dat als het einde van haar sociale opwaartse beweging: ‘Voortaan was ik de katholieke school, haar uitmuntendheid en volmaaktheid onwaardig. Voortaan stond mijn leven in het teken van schaamte.’ (De schaamte, p. 84, vert. Rokus Hofstede)
Wortelschaamte: is dat jezelf schamen omdat je je niet kunt ontworstelen aan je achtergrond? Of is dat jezelf schamen omdat het je wél lukt? In het geval van Ernaux is het denk ik beide waar. Ze is zowel transclasse (ontstegen aan haar klasse), mede dankzij de Nobelprijs, maar krijgt die prijs voor werk waarin ze aangeeft nooit aan haar sociale klasse ontsnapt te zijn.
Sociale klasse – dat mocht misschien een issue zijn in de jaren ’50, waarin De schaamte zich afspeelt, maar vandaag de dag niet meer. Toch? Mis. Dezelfde worsteling, dezelfde wortelschaamte, zie ik terug in het werk van Édouard Louis (1992). Iemand die van dezelfde generatie is als ikzelf en opgroeit in een arm arbeidersmilieu in Noord-Frankrijk, maar naar een prestigieuze école normale supérieure in Parijs ging en inmiddels een van ’s lands meest gevierde schrijvers is. Waar hij zich vroeger schaamde voor de plek waar hij vandaan kwam, lijkt hij zich nu te schamen voor het feit dat hij zich eraan ontworsteld heeft. Want is jezelf ontworstelen aan een situatie niet ook een veroordeling van iedereen die bij die situatie hoort? Édouard Louis over zijn moeder: ‘Toen ik nog een kind was, schaamden we ons samen – over ons huis, over onze armoede. Nu schaamde ik me voor jou, tégen jou. Onze schaamte was niet meer dezelfde.’ (Combats et métamorphoses d’une femme, p. 72, eigen vert.)
Édouard Louis leert ons dat de klassenmaatschappij dus nog niet tot het verleden behoort, maar wellicht wel tot het buitenland? Ik heb over Nederland nooit gedacht als typische klassenmaatschappij – ook begaafde arbeiderskinderen kregen de kans om te gaan studeren. Het economische milieu waarin een kind opgroeide was dus niet bepalend voor zijn of haar toekomst. Maar wanneer je niet vanuit huis gestimuleerd wordt om te gaan studeren, doe je dat dan wel? Een klassenmaatschappij houdt in dat er economische verschillen bestaan tussen bepaalde groepen, maar zijn verschillen in stimulans of intellectuele opvoeding niet even veelbetekenend?
Zelf groeide ik op in een middenklassengezin, en hoewel ik altijd ben vrijgelaten om mijn pad te bepalen, heb ik vaak het gevoel gehad dat ik een set basisvaardigheden miste toen ik naar het gymnasium ging, en daarna ging studeren. In mijn familie was ik de eerste die zich inschreef aan een universiteit. Er waren ooms en tantes die fronsten wanneer ik zei dat ik graag studeerde en leerde – ik geloof dat ze het zielig vonden dat ik van mijn ouders ‘zoveel de boeken in moest’. Dat deed ‘je’ toch niet voor je plezier? Eronder lag de gedachte: welk nut heeft dat gestudeer? Daar weer onder lag (misschien) het oordeel: zijn wij soms niet goed genoeg, die niet hebben doorgeleerd?
Ik ben dankbaar dat ik altijd gestimuleerd ben door mijn ouders, die zelf niet gestudeerd hebben, en ik ben dankbaar dat ze me nooit gepusht hebben. Ik ben dankbaar dat ik in Nederland ben opgegroeid in een tijd waarin sociale opwaartse beweging mogelijk was – ik vermoed dat dat nu moeilijker is dan in de jaren ’90. Mede dankzij Annie Ernaux en Édouard Louis realiseer ik me dat een andere opvoeding tot een heel ander leven had kunnen leiden.
Alleen al het feit dat ik toegang heb tot de boeken van Annie Ernaux, en de vrijheid en tijd heb om over haar werk na te denken, stemt me dankbaar. Ik zie dat de klassenmaatschappij nooit weg is geweest, en dat ook in Nederland – van origine geen klassenmaatschappij zoals Frankrijk – de verschillen tussen kansrijk en kansarm groter worden. Het is goed, het is belangrijk dat iemand als Annie Ernaux (iemand uit een arm milieu, een vrouw!) de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Haar literatuur doet wat literatuur moet doen: een spiegel vormen van de maatschappij, inzicht geven, maar ook ontroeren en frustreren. Dankzij Ernaux’ schaamte kan ik mijn eigen schaamte en gebreken onder de loep nemen.
Mijn voorspelling: binnen de dertig jaar krijgt ook Édouard Louis de Nobelprijs voor Literatuur. En dan ben ik de eerste die uitlegt waarom dat belangrijk, goed en fantastisch is.
3 reacties
Rokus Hofstede · 17 oktober 2022 op 09:31
Wie vertalingen noemt of eruit citeert, doet er goed aan de naam van de vertaler te vermelden. Nietwaar, collega? (knipoog)
Carlijn Brouwer · 17 oktober 2022 op 12:30
Je hebt helemaal gelijk – eer wie eer toekomt.
Mimi limpens · 17 oktober 2022 op 12:22
Geweldig geschreven .volledig mee eens. Hoop veel van haar boeken te lezen