Ik heet Carlijn, ik ben drieëndertig en ik wandel. En dan niet een blokje om door de wijk, maar kilometers door weilanden, over heuvels, dijken en bossen. Niet alleen wandel ik, ik heb een wandelgids, speciale wandelschoenen en -sokken en zelfs – nu we dan toch aan het bekennen zijn – een afritsbroek. Je zou kunnen zeggen dat ik een wandelaar met een hoofdletter W ben. En dat is toch wel even slikken, want erg sexy is dat gewandel natuurlijk niet bepaald. En nog steeds voelt het als een bekentenis: confiteor, ambulo.

Wie mij een paar jaar geleden had gezegd dat ik een fervent wandelaar zou worden, die had ik vierkant uitgelachen. Mijn gloeiende hekel aan fietsen en een gesloten yogaschool tijdens lockdown nummer zoveel maakten echter dat ik op zoek moest naar een andere manier van bewegen. Thuis fitnessen zag ik niet zitten, en mijn onderburen waarschijnlijk evenmin, en om mezelf toch wat nieuwe uitzichten te gunnen nu dagjes weg en theaters van de baan waren – besloot ik mijn omgeving te gaan verkennen.

In eerste instantie was die omgeving Arnhem en de omliggende dorpen: de uiterwaarden van de Rijn in Meinerswijk, de uitgestrekte parken aan de noordkant van de stad en de bossen bij Velp. Prachtige plekken, maar het betekende wel dat ik iedere keer hetzelfde stuk stad moest doorkruisen vóór ik bij zo’n mooie plek kwam, en dat begon te vervelen. Ik was tijdens mijn tochtjes al vaak rood-witte markeringen tegengekomen, die wezen op een LAW (lange-afstands-wandeling), maar snob als ik ben vond ik het Pieterpad lopen dan weer ‘te gewoontjes’. Bovendien zou ik vroeg of laat Brabant en Limburg moeten aandoen, en dat stuk van Nederland had ik in mijn jeugd al genoeg gezien. Het werd het Trekvogelpad – ruim vierhonderd kilometer van Bergen aan Zee naar Enschede.

Inmiddels heb ik ruim de helft van het pad gelopen, in etappes die varieerden van 14 kilometer tot 25 kilometer. Ik verdwaalde gemiddeld eens per etappe, versleet twee paar veters, dronk liters water en at kilo’s chocola en appels, verstuikte mijn enkel een paar keer, maar vooral: verbaasde mezelf en leerde mezelf kennen. Al gauw was tien kilometer geen uitdaging meer, en twintig ook niet meer – ik ben toe aan de dertig kilometer en ben daarna weliswaar moe, maar niet gebroken. Ook heb ik ontdekt dat het een paar uur duurt vóór je overgaat van wandelen naar wandelen. Voor je in de gelukzalige staat terechtkomt waarbij je niet langer piekert, maar er stilte ontstaat in je hoofd, het soort leegte dat nodig is om nieuwe ideeën te krijgen. Die stilte maakt me vergevingsgezinder naar mezelf, zorgt ervoor dat ik openingen zie waar die eerder niet waren en laat me concentreren op mijn lijf, dat de meeste tijd toch vooral het omhulsel is van mijn geest. Door naar buiten te gaan en te lopen kom ik terug bij mezelf en lukt het me te dromen. Tijdens mijn wandeltochten herinner ik mezelf eraan dat eventuele obstakels in het leven maar tijdelijk zijn, dat het bos altijd op me wacht en me zal troosten. Dat veel in mijn leven franje en ruis is, maar dat het niet zo moeilijk is om de essentie te hervinden. Je trekt een paar wandelschoenen aan, neemt een rugzak mee en zet een stap. Dan nog één. En nog één.

Hoewel ik de meeste van die wandeltochten in mijn eentje onderneem, juist om die mentale ruimte te vinden die ik soms mis in mijn dagelijkse routine, heb ik weleens een kompaan op zo’n tocht. Dat moet dan wel iemand zijn die de kracht van zwijgen begrijpt en liefst ook iemand die ongeveer hetzelfde tempo heeft. Ik heb ontdekt dat urenlang naast elkaar lopen, in weer en wind, met vaak niets dan het geluid van voeten op de grond en een ademhaling – iets bijzonders teweegbrengt, een band die je niet opbouwt wanneer je samen een biertje drinkt. Er wordt natuurlijk wel degelijk gepraat tijdens zo’n tocht, en op de een of andere manier nemen gesprekken sneller een filosofische wending. Alsof de frisse lucht en het feit dat je elkaar niet constant aan hoeft te kijken ervoor zorgen dat je je vrijer voelt – je maakt simultaan je hoofd leeg en blijkbaar boor je daarmee diepere gronden aan.

Met het risico vreselijk EO-achtig te klinken: wandelen is een connectie aangaan. Met de natuur, met jezelf, met een ander. Het is ook een connectie aangaan met buitensportwinkels, waar ik inmiddels volkomen op mijn gemak naar binnen stap en zonder een spoortje ironie vraag naar de best ademende wandelsokken of het nieuwste model wandelsandaal. Ik herken sommige winkelmedewerkers en ik ben als vanzelfsprekend onderdeel van dit buitenmensenpact geworden. Er is geen ontkennen meer aan: ik ben een Wandelaar.

Binnenkort ga ik een aantal nog resterende etappes van het Trekvogelpad lopen, in de kop van Noord-Holland. Ik kijk uit naar de duinlandschappen, de vlakker-dan-vlakke weilanden, naar oer-Hollandse taferelen in Alkmaar – maar vooral naar de kalmte die in me neerdaalt na een paar uur wandelen. Ik denk dat ik het nodig heb, want naast wandelen ga ik dit keer ook kamperen. Met een tent. En een matje. En een kompaan.

Ik ben Carlijn, ik ben drieëndertig en ik kampeer.


2 reacties

Hans · 22 augustus 2022 op 12:53

Ik zie het al, wandelen doet je goed. Af en toe buiten jezelf treden opent blijkbaar een nieuwe wereld. Geniet ervan.

Eline · 23 augustus 2022 op 19:53

Leuk Carlijn! 😀

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.