In de trage dagen van eind december voel ik altijd een verlangen naar Amsterdam opwellen. Dan wil ik langs de grachten wandelen, me terugtrekken in mijn lange wollen jas en vervolgens in een kroegje in de Jordaan, en dan ’s avonds kijken naar de lichtjes. Vertragen in een stad die nooit stilstaat, mijmeren op een plek waar vooral veel gedáán wordt. Als ik er zou wonen, zou ik een van de enkelingen zijn die houden van verlaten straten en er ’s nachts eindeloos rondzwerven. In de illusie dat ik ’s nachts, als het dagelijkse leven is stilgevallen, misschien nog wat Amsterdammers zou kunnen tegenkomen die de stad en mij zoveel hebben gegeven.

Allereerst natuurlijk Ramses Shaffy, de zwerver bij uitstek, met het licht van een ander land in zijn ogen geboren, maar toch echt een Amsterdammer. Ik zou hem ongetwijfeld niet nuchter aantreffen, zwalkend door de straten, zingend hopelijk. Hoe anders zou de vorige week overleden Hans van Manen zich bewegen – niet zwalkend, maar dansend. Voor zijn weg naar huis vanaf de Stopera had hij vast een persoonlijke choreografie. Statig, zich bewust van iedere straatsteen en ieder stoepje. En hoe zou Remco Campert zich bewogen hebben? Ik denk aan de hoofdpersonages uit zijn verhalen: arme sloebers van kunstenaars, die door de stad lopen om maar niet thuis in de kou te zitten bij hun niet-werkende kachel. Zou Campert zich ook zo gehaast hebben om warm te worden? En om nog even stil te staan bij mijn vorige column: Joost Zwagerman zie ik voor me als een eenzame fietser. Terug van een schrijversfeestje, en nu weer op zichzelf en al die gedachten teruggeworpen.

Toch zou ik nooit in Amsterdam willen wonen. Financieel kán ik er ook niet wonen, dus dat komt mooi uit. Het lijkt zo’n stad waar iedereen groot droomt, en het is mooi om je tussen die eindeloze dromen te bewegen, maar aan het einde van de dag keer ik graag terug naar de relatieve rust van Arnhem. Waar ik vanaf het station binnen vijf minuten in een prachtig park kan staan en al die ambities even van me af kan schudden. Het tramgerinkel in mijn oren vervang door het gezoem van de trolleybussen. Amsterdam is een mooie belofte, maar mijn thuishaven is hier, in Arnhem.

In Arnhem schreef ik bijna al mijn Schuinschrijvers-columns de afgelopen jaren: 37 in totaal. Soms rolde zo’n column er bijna vanzelf uit (bijvoorbeeld deze), en soms moest ik midden in de zondagnacht nog iets uit mijn hersenpan schrapen (zoals deze). Wat ik wel leerde: inspiratie vind je overal, als je maar goed kijkt. Je oog moet net uitgaan naar het detail dat een ander mist – en bij zo’n detail moet je hoofd automatisch een verhaal gaan vormen. Dankjewel Linda en Tim, dankzij jullie uitnodiging om ook schuinschrijver te worden heb ik beter leren kijken.

Dat is een eigenschap die me meer dan goed van pas zal komen komend jaar, als ik zelf weer vaker over de klinkers van Amsterdam zal lopen. Niet om te mijmeren, niet in de droomwereld waarin ik overleden inspiratiebronnen voor me zie, en niet om te vertragen. Niet meer als stagiaire, niet meer als vertaler-in-opleiding, niet meer als zzp’er, maar als redacteur bij een van de mooiste uitgevers van Nederland. Tijd voor nieuwe avonturen, daarom zeg ik Schuinschrijvers gedag. Maar uitgeschreven ben ik nog niet, want wie weet waar ik de komende tijd weer allemaal over struikel…


0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.