An unhappy childhood is a writer’s gold mine, schreef Graham Greene ooit. Dat dat blijkbaar niet alleen voor schrijvers geldt, maar ook voor sommige documentairemakers, ontdekte ik afgelopen weekend. Het was midden in de nacht en ik keek met ogen die brandden van vermoeidheid naar de laatste aflevering van 100 dagen in de jeugd- en gezinszorg. Journalist Nicolaas Veul had zich wederom 100 dagen ondergedompeld in een ingewikkelde, voor velen onzichtbare wereld. En nu dompelde ik mij dáár weer in onder.
In die laatste aflevering blikte Veul terug op zijn stage van 100 dagen in de jeugdzorg. Hij had meegelopen in een woongroep met kinderen die uit huis geplaatst waren. Hij had gezien hoe gezinnen met problemen geobserveerd werden door professionals. Uithuisplaatsing was altijd het laatste redmiddel. Nou ja, redmiddel? Een jeugdbegeleider zei het treffend: ‘Kinderen gaan hier vaak weg met problemen die ze eerst nog niet hadden.’ Uit huis plaatsen of niet is dus kiezen tussen twee kwaden, pogen zo min mogelijk te schaden.
Ik snap wel dat Veul bij het eindgesprek met zijn stagebegeleider – no-nonsense dame met wat eeuwenlange ervaring leek – emotioneel werd. In die 100 dagen, waarin hij zoveel manieren had gezien waarop het mis kon gaan, was hij zelf vader geworden. Je zou om minder huilen.
Die totale overgave aan de omgeving waarin hij zich tijdelijk beweegt, dát is wat Nicolaas Veul tot zo’n goede documentairemaker maakt. Hij durft kwetsbaar te zijn en geeft woorden aan het ongemak dat we allemaal voelen als we ergens nieuw zijn. Als we niet weten hoe we moeten omgaan met grote emoties en nare situaties. Als we onze demonen uit het verleden niet durven toe te laten, terwijl we weten dat dat soms juist nodig is om verder te komen. In 100 dagen in de jeugd- en gezinszorg leerde Veul dat zijn eigen moeilijke jeugd misschien een voordeel kon zijn. Misschien geen goudmijn was, maar hem wel beter leerde kijken naar die andere worstelende mensen.
Ik keek de afgelopen jaren gebiologeerd naar 100 dagen voor de klas, 100 dagen in je hoofd (over de psychiatrie), 100 dagen in de vergeten wijk (over de arme buurt Laak in Den Haag) en dus de reeks over jeugdzorg. En elke keer dacht ik weer: dit zou verplicht moeten zijn voor iedereen. Iedereen zou 100 dagen mee moeten lopen op een plek waar het ertoe doet, waar je daadwerkelijk iets voor een ander kunt betekenen. Niet alleen jongeren, maar ook volwassenen. Júist volwassenen. 100 dagen als conciërge, 100 dagen in de verpleging, 100 dagen als onderwijsassistent, 100 dagen in het buurtcentrum, 100 dagen als conducteur, 100 dagen in de ouderenzorg.
Hoe mooi zou het zijn als er een soort maatschappelijk verlof zou komen voor zo’n constructie? Je baas krijgt een tegemoetkoming, zodat hij de boel kan faciliteren, en jij leert 100 dagen lang hoe je betrokken kunt zijn bij de maatschappij. Je wordt gedwongen om voorbij je eigen horizon te kijken, wat uitdagend en eng is, maar ook een manier kan zijn om nieuwe carrière van dichtbij te bekijken. Net als Nicolaas Veul zou ik doodnerveus zijn tijdens zo’n 100-daagse stage in een mij totaal vreemd vakgebied. Ik zou het allemaal meteen goed willen doen, maar me geen houding weten te geven. Ik zou mezelf 100 keer tegenkomen en 100 keer wensen dat ik ergens anders was – maar ook minstens 100 nieuwe inzichten krijgen.
Nicolaas Veul is alweer op zoek naar zijn volgende stageplek. 100 dagen in de politiek leek hem wel wat. Het zal weer uitdagend worden, hij zal zichzelf vaak voor z’n kop slaan. Ik vrees dat de waarheid van de jeugdzorgbegeleider ook hier weer van toepassing gaat zijn – hij verlaat de politiek na 100 dagen met problemen die hij daarvoor niet had. En dan kunnen wij ons weer vol fascinatie storten op de volgende docureeks: 100 dagen in traumatherapie.
2 reacties
Ans Logister · 24 februari 2025 op 11:03
Formidable….comme toujours!!!
Carlijn Brouwer · 24 februari 2025 op 11:08
Dankjewel, Ans! Wat leuk dat je meeleest.