Er woedt een kleine storm in literatuurland. Een kleine maand geleden verscheen bij De Arbeiderspers Zwaag, de biografie van Maria Vlaar over Joost Zwagerman (1963-2015). Die is nu precies tien jaar dood – en dat is precies waarom mensen zich roeren. Niet iedereen kan zich vinden in het beeld dat Vlaar schetst; ze vinden dat er een te negatieve versie van Zwagerman naar voren komt.
Degenen die hem gekend hebben willen een tegengeluid laten horen: hij was dan misschien zelfdestructief, manipulatief en depressief, maar er was ook een andere kant – de bevlogen uitlegger, het getalenteerde schrijftalent, de trouwe vriend. Die kritiek hoort ook een beetje bij biografieën, lijkt me, want hoe kun je iemand ooit volledig op papier vatten? Er is altijd een andere kant, een detail dat niet in een groter geheel past, of een detail dat zo veelzeggend is dat het algemene beeld de prullenbak in zou moeten.
Hoewel ik het eigenlijk voyeuristisch van mezelf vind, ben ik toch benieuwd naar die biografie. Zwagerman is vrij alomtegenwoordig in mijn leven, al moet ik zeggen dat ik dat tot voor kort niet door had. Hij is zo’n figuur die steeds in een andere gedaante weer opduikt. Alsof de zeven Joosten waarover Vlaar het heeft (‘de zeven levens van Joost Zwagerman’) omstebeurt bij me langskomen. Het begon met het literaire wondertalent – de Joost van de succesromans. In mijn studietijd las ik in no time Gimmick!, De buitenvrouw en Vals licht. De van het zelfvertrouwen barstende student, de maximaal – het sloot naadloos aan bij het studentenleven (al ging het er in mijn geval heel wat braver aan toe). Zo naadloos zelfs dat Vals licht, over een student die verliefd wordt op een prostituee, zich in mijn hoofd was gaan afspelen in Nijmegen in plaats van Amsterdam. Ik las het boek tijdens mijn universiteitsjaren en een studievriendin woonde direct boven een beruchte tippelzone in míjn stad. Ergens is Zwagermans verhaal vermengd geraakt met Kronenburg Park van Frank Boeijen.
Later maakte ik kennis met de dichter Joost die zo raak kon schrijven over liefde, maar net zo goed over de vertwijfeling die óók bij hem hoorde. Die twee kanten van zijn dichterschap hebben een prominente plek in mijn woonkamer – de poster met het lichte gedicht ‘…zag jij misschien’ hangt al jaren boven mijn bank, en daar vlak naast staat mijn platenkist, met daarin Mens van Wende Snijders. Daarop staat het nummer ‘Voor alles’, een tekst van Joost Zwagerman – de angstige, paranoïde Joost die zo bang kon zijn voor de buitenwereld dat het hem verlamde. De dichter Joost was virtuoos en kon woorden geven aan zijn hoogte- en zijn dieptepunten.
Pas heel recent ontdekte ik zijn kunstessays. Ik herinner me wel dat Zwagerman soms aanschoof bij De Wereld Draait Door en daar dan vertelde over kunst die hem inspireerde, maar ik vond dat zo’n hectisch programma dat ik er nooit echt bij bleef hangen. Maar nu lees ik die kunstessays, over schilderkunst, literatuur en muziek, en denk ik: hadden we allemaal maar een bevlogen Joost in ons leven. Iemand met een aanstekelijk enthousiasme en de eruditie om uren te kunnen praten over wat je eerder nog een detail leek. Een motivator langs de zijlijn die je ook op je zwartste dagen uitlegt waarom dat zwart licht geeft.
En zo heb ik in die pakweg vijftien jaar dat Zwagerman nu opduikt in mijn leven al kennisgemaakt met minstens drie Joosten. En al die Joosten vertegenwoordigen andere periodes, andere versies van mij. Ik denk dat ik niet bang hoef te zijn dat die biografie afbreuk zal doen aan de waarde die hij representeert. Ik begeef me lang genoeg in literatuurland om te begrijpen dat de kunstenaar en zijn werk twee heel andere dingen zijn. Als de mens Joost in Zwaag me blijkt tegen te vallen, heb ik nog altijd de Joosten uit mijn leven.
0 reacties