Sinds ik volwassen ben onthoud ik zelden mijn dromen. Dat was vroeger wel anders. Als kind had ik een regelmatig terugkerende nachtmerrie. De locatie en precieze omgeving waren meestal vaag, maar het kwam erop neer dat er iets achter me aanzat. Iets dat ik hooguit vanuit mijn ooghoeken waarnam en waar ik nooit meer dan een glimp van zag. Iets roods te midden van een soort zwarte stoom. Het punt was dat ik er niet naar moest kijken, want als ik het zag dan zou het monster werkelijkheid worden en me pakken.

Om dit monster, dat zich ook onder mijn bed, in de kast, in de kelder, in de schaduwen op zolder of buiten mijn slaapkamerraam kon bevinden, op afstand te houden, omringde ik me met een leger van knuffels als ik ging slapen. Hond, zeehond, beer, Bert, Ernie, maar vooral Supergrover beschermden me terwijl ik sliep. Als er midden in de nacht een klauw vanonder het bed naar me zou grijpen, zouden mijn knuffels de aanval afslaan. 

Het enige probleem was dat ik in mijn dromen niet veilig was. Op het moment dat ik in slaap was gevallen en in dromenland was beland konden mijn pluizige vriendjes me niet meer beschermen. Ineens bevond ik me niet meer in Sesamstraat maar in Elmstreet. De straat waar het monster uit mijn nachtmerrie op de loer lag. Voor ik het wist voelde ik weer dat er iets achter me aanzat. En hoe hard ik ook zou rennen, ik zou het niet kwijt raken.

Toch wist mijn onderbewustzijn iets te verzinnen om me te helpen. Ik werd me er tijdens de nachtmerrie namelijk van bewust dat ik aan het dromen was. Dankzij het boek De Dromenwever van hoogleraar geschiedenis van de psychologie Douwe Draaisma weet ik inmiddels dat dit een lucide of heldere droom genoemd wordt. Een begrip dat bedacht is door de Nederlandse schrijver en psychiater Frederik van Eeden (1860-1932).

Doordat ik me tijdens de nachtmerrie realiseerde dat het een droom was, kreeg ik er controle over. Ik ontwikkelde namelijk het vermogen om mezelf wakker te maken uit de nachtmerrie. Simpelweg door mezelf de opdracht te geven: “word wakker!”. De wetenschap dat ik mezelf wakker kon maken betekende dat ik minder bang was voor de nachtmerrie en het monster. Het feit dat de nachtmerrie terugvocht door me een keer zogenaamd wakker te laten worden, tot ik ontdekte dat ik in een tweede droom was beland, veranderde weinig aan mijn weerstand tegen de nare droom. Ik heb er daarna weinig last meer van gehad.

Hetzelfde lijkt ik nu mee te maken in wakkere toestand. Eerst was er de covidnachtmerrie. Een onzichtbaar monster dat de hele wereld in lockdown dwong. Zodra ik hieruit probeerde te ontwaken, kwam ik terecht in een tweede nachtmerrie. Voor mijn geestesoog zie ik een bleke kale man aan het eind van een hele lange tafel zitten. Hij heeft koude moordenaarsogen. Met die ogen spoort hij zijn handlangers aan om misdaden tegen de menselijkheid te plegen. Ze durven geen nee te zeggen. Bovendien liggen zijn handen naast een rode knop die, als hij die in zou drukken het einde van de wereld tot gevolg heeft. Voor de mens althans: de kakkerlakken en duiven zouden een paradijs op aarde erven.

Dan zoom ik nog iets verder in op de bleke man. Ik zie een straaltje zweet van zijn voorhoofd lopen en klotsende oksels in zijn nette jasje. Er komt een zure lucht van hem af. Als bedorven melk. Hij is een bange man. Bang voor virussen, gif in zijn water, een laserpunt in zijn nek, gezichtsverlies en voor zijn eigen onderdanen. Daar zou je uit kunnen concluderen dat hij in ieder geval niet suïcidaal is, maar die conclusie stelt me ook niet gerust. Uit deze nachtmerrie kan ik ons helaas niet wakker roepen. We kunnen alleen gered worden door de wekker.


0 reacties

Geef een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.