Ik zit naast Rob op het hoge balkon, recht tegenover het klassiek vormgegeven podium van theater Carré. De zaal onder ons en het publiek om ons heen gonst. We hoeven geen afstand te houden, want bij de toegang hebben we een negatief testresultaat of vaccinatiebewijs laten zien. Een beetje onwennig is het nog wel. Het is lang geleden dat ik zij-aan-zij met een vreemde zat. De man aan mijn rechterkant heeft een design van mini-avocado’s op zijn overhemd. Er hangt een vrolijke, verwachtingsvolle sfeer in de zaal. Veel grijs haar, dat wel. Rob wijst me erop. Ik ben zoals vaak in deze setting één van de jonkies. Veel van de mannen lijken op die ene waar we voor komen: Herman van Veen.

Zodra zo goed als alle stoelen bezet zijn, de deuren dichtgaan en de lichten dimmen, verstilt de zaal. Er komt beweging in de grote rode gordijnen. Ze schuiven opzij en daar verschijnt de 76jarige cabaretier. Onmiddellijk stijgt er een gulzig applaus op. Hier hebben we maanden op gewacht. De tranen springen in mijn ogen en mijn hart lijkt op te zwellen. Ontlading, nu al. De lockdowns van de afgelopen anderhalf jaar hebben me veranderd in een weekdier bedekt met voelsprieten. De energie in de zaal raakt me. We zijn er weer. We zijn er nog. We kunnen weer. En daar begint de voorstelling, met indrukwekkend vioolspel van Herman zelf, fantastische muzikanten, hilarische grappen, rake teksten, en die machtig mooie stem. Er schijnen mensen te zijn die niet van Herman van Veen houden. Ieder zijn ding, maar dit is vakwerk; onontkoombaar spectaculair. Al 50 jaar staat die man in Carré. Het is alsof hij daar woont, zo op zijn gemak is hij op deze historische planken.

Er zijn mensen die van een voorstelling kunnen genieten zoals ik van een schilderij. De sfeer, de kleuren of de compositie kunnen me raken, ik bewonder het talent of het resultaat van een artiest. Maar bij cabaret of muziek geniet ik anders. Ik denk vooral: ik wil dit ook! Daar zit ik dan, te lachen door mijn tranen in de rode pluche stoel. Op dat podium durven staan, zonder remmingen, als mezelf, zingen, spelen, verhalen vertellen en zó mensen kunnen raken, dat zou ik het allerliefste doen. Alle pogingen die ik tot nu toe heb gedaan in die richting geven me in ieder geval veel plezier en ik heb de afgelopen maanden mijn cursus(sen), het podium en het oefenen zo ontzettend gemist.

Ik was dan ook enigszins zenuwachtig maar vooral blij dat ik afgelopen week weer met de trein van Nijmegen naar Utrecht ging. Aan de theaterschool daar begint deel drie van de cursus Cabaret/Kleinkunst. Tijdens deze jaarcursus ga ik werken aan mijn eigen voorstelling. Al bij het lopen van het station naar de theaterschool bij de Dom voel ik het kriebelen. Waar ik me in Nijmegen dood erger aan fietsers, brommers en voetgangers die om me heen krioelen in de binnenstad, geeft het bruisende Utrecht me een sprankje inspiratie. Hier gaat het gebeuren. Ik omring me met gelijkgestemden in het leslokaal, we maken kennis met elkaar en onze gemeenschappelijke dromen. De één droomt van het Eurovisie Songfestival, de ander van een iconische voorstelling á la “Nanette” van Hannah Gadsby. De oudejaarsconference, het Metropole Orkest, Carré… Waarom niet? Het resultaat is nog onbekend, maar de weg ernaartoe en de eerst opkomende ideeën geven me nu al weer voldoening. We mogen weer.


0 reacties

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.